Skip to main content

(Geen) EK Films

| Peter Verstraten | Column
(Geen) EK Films

Ten tijde van het Europees kampioenschap voetbal in 2012 had (toen) Villa LUX Nijmegen het lumineuze idee om een EK Film te organiseren. Elk land had een filmspecialist als ‘bondscoach’. Die programmeerde een film uit het betreffende land en moest het opnemen tegen de keuzefilm uit een ander land. Bezoekers kozen hun favoriet van de twee, en de winnaar ging door naar de volgende ronde.

Voorwaarde was dat het land in een volgende ronde met een film van een andere filmmaker de strijd aanging. Gezien hun rijke filmgeschiedenis was het uiteindelijk niet vreemd dat Frankrijk en Italië in de finale stonden. Italië speelde die eindstrijd met Io sono l’amore (Luca Guadagnino, 2009). Nogal wiedes dat Frankrijk won – met een Godard-film, ik meen Bande à part (1964), maar als het aan mij had gelegen hadden ze ook met een Louis de Funès-film kunnen winnen.

Call Me By Your Name

Io sono l’amore – over de passie van een aristocratische vrouw voor een chef-kok – deed zo zijn best om weelderig over te komen dat het een pompeuze film werd. Heeft Guadagnino zich gerevancheerd nadien? Hij dankt zijn grootste succes Call Me By Your Name (2017) aan zijn prima acteurs en zeker ook aan die geweldige setting: Lombardije in 1983. Ik vond dat Guadagnino de film enigszins verpestte door dat al te stichtelijke gesprek tussen vader en zoon aan het eind. Vader weet niet alleen dat de tiener een affaire heeft gehad met een Amerikaanse student, maar ook dat die verhouding geen toekomst heeft. Hij wil zijn zoon een hart onder de riem steken: ‘Just remember, our hearts and our bodies are given to us only once, and before you know it your heart’s worn out (…) Right now, there’s sorrow, pain. Don’t kill it and with it the joy you’ve felt …’ Had deze larmoyante conversatie laten zitten, de film was met zijn 132 minuten toch al lang genoeg.

Guadagnino kweekte bepaald geen goodwill bij mij door remakes te maken van twee klassieke favorieten: A Bigger Splash was een nieuwe, maar veel minder zinderende versie van La piscine (Jacques Deray, 1968). In deze Franse film speelden Alain Delon en Romy Schneider de hoofdrollen. Dan kun je wel Tilda Swinton en Ralph Fiennes daar tegenover zetten, maar waarom zou je er überhaupt aan beginnen? Zijn Suspiria (2018) was te goed om hem van heiligschennis te betichten, maar waartoe diende deze nieuwe versie van Dario Argento’s gelijknamige horror-giallo uit 1977, waarvoor cameraman Luciano Tovoli een fabelachtig kleurenpalet had samengesteld? Guadagnino’s Bones and All (2022) vond ik zozo, maar bij zijn nieuwste film Challengers (nu te zien in LUX) vliegen de vier sterren-recensies je (als tennisballen) om de oren. Ronald Rovers beoordeelde de film in Filmkrant als stilistisch ‘grandioos’. Dat mag wel zo zijn, maar wat te denken van dat script? Rovers noemde het ‘best dun’, maar het was veel erger.

Challengers

Challengers st 1 jpg sd low 2023 Metro Goldwyn Mayer Pictures Inc All Rights Reserved Photo Credit Metro Goldwyn Mayer PicturesChallengers © Metro Goldwyn Mayer Pictures Als Challengers een Nederlandse film zou zijn geweest, hadden we ons een kriek gelachen om de banale dialogen. Ga de film maar eens zien, en lees de ondertiteling hardop in je hoofd. Zouden de dialogen daarom vaak van een pompende beat voorzien zijn, zodat we niet worden afgeleid door wat ze zeggen? Ik hoorde van kijkers dat ze de ontknoping geweldig vonden, maar met die ontknoping onderschat de film sportpsychologie. Patrick maakt een gebaar waarvan alleen zijn tegenstander Art de betekenis kent. Art is daarna helemaal van zijn à propos: hij neemt de non-verbale handbeweging volledig serieus. Maar als er manieren zijn om je tegenstander uit zijn concentratie te halen, dan maakt een (top)sporter daar gebruik van. Daarom hoeft het gebaar ook niets anders te betekenen dan een flauwe afleidingsmanoeuvre, maar dat komt niet bij Art op. En dat is dan de veelvuldig Grand Slam-kampioen die zich kinderlijk eenvoudig van de wijs laat brengen en in de stress zit over een partij tegen de nummer 271. Novak Djokovic en Roger Federer zouden hartelijk lachen om zo’n lankmoedige topspeler.

In het begin van Challengers zoomt de camera voorwaarts naar het tennispubliek, en in een latere scène met zoom bewegen alle hoofden van het publiek van links naar rechts, behalve dat van Zendaya. Ongetwijfeld een verwijzing naar een vergelijkbaar shot in Strangers on a Train (Alfred Hitchcock, 1951), de superieure suspense thriller over een tennisspeler die zich in de nesten heeft gewerkt, maar helaas pindakaas. Challengers is bij lange na geen Hitchcock en het is evenmin de ‘Jules et Jim van de 21ste eeuw’ (in de Volkskrant en op Cinemagazine werd Challengers met François Truffauts driehoeksdrama uit 1961 vergeleken).

Club Zero

Zou er dit jaar opnieuw een EK film georganiseerd worden, dan zou Nederland Oostenrijk kunnen treffen, want dat is immers een tegenstander in de poule. Mocht een (film)bondscoach namens Oostenrijk voor het nu net uitgebracht Club Zero van Jessica Hausner kiezen, dan gaat Nederland geheid door. In Club Zero is voedingsdocent ‘Miss Novak’ nieuw op een pan-Europese eliteschool waar ze een ‘Talent Campus’ hebben. In haar klasje van zeven, overwegend milieubewuste, leerlingen predikt zij Bewust Eten: je moet je bewust zijn van elke hap die je proeft. Maar gaandeweg radicaliseert haar lesstof. Zij draagt haar leerlingen op te stoppen met eten waardoor ze hun lichamen reinigen; twee van hen haken af. Het vasten leidt tot gespannen situaties als de scholieren thuis zijn. De bezorgde ouders komen bijeen, spreken de directrice aan, maar hoewel Miss Novak ontslag is aangezegd, beschouwen de vijf scholieren haar als hun goeroe. Zijn zij nog onder haar invloed vandaan te trekken?

Dat Club Zero een erg steriele en kil gedraaide film is, is op zich nog niet zo’n probleem, mits dat functioneel is. Maar Hausners film was mij te didactisch: het is duidelijk dat Club Zero beoogt te waarschuwen tegen mentoren die uiterst strenge diëten bepleiten. In Filmkrant stelde Roosje van der Kamp dat de film eerder over de keerzijden van fanatisme gaat dan over magerzucht. Van der Kamp zet helder uiteen hoeveel complexer eetstoornissen zijn dan Hausners film ons doet geloven – ze gaan onder meer steeds gepaard met ‘doen alsof’.

LourdesLourdes

Het didactische zat mij vooral in de weg omdat Hausner met Lourdes (2009) een voorbeeldige film draaide. Christine zou graag een cultuurreis maken, maar ze heeft permanente begeleiding nodig omdat ze als ms-patiënte in een rolstoel zit. Uit nood geboren is Lourdes de bestemming geworden, want daar staat een peloton aan begeleiders klaar. Christine heeft Maria (een dan nog onbekende Léa Seydoux) toegewezen gekregen, maar die heeft maar een half oog voor haar, omdat ze te veel flirt met een van de mannelijke begeleiders. Pech voor Christine, want nu werpt een eenzame, oudere vrouw zich voortdurend op als haar hulp, en Christine is fysiek niet in staat om haar af te schepen.

Nu leeft het reisgezelschap in Lourdes in de niet zo stille hoop dat er een wonder zal geschieden bij een van hen. Wie van de groep zal een genezing beleven? Er ontstaat een sikkeneurige stemming als blijkt dat Christine uit haar rolstoel kan opstaan, ook al is het wat onvast. Hoe kan dat nu? zo vragen de devote Lourdes-bezoekers zich af. Waarom nu net degene die geen volbloed gelovige is? Het mirakel had toch een doorgewinterde en fanatieke bedevaartganger moeten overkomen? Jaloezie sluimert niet alleen bij de oude, eenzame vrouw want zij is nu overbodig, maar ook bij Maria, want de mannelijke begeleider spendeert nu tijd met de genezen Christine. Als ze danst en meldt hoe gelukkig ze met hem is, valt ze. Ze krabbelt weer op, maar de vraag dient zich aan of haar genezing slechts tijdelijk was. Zo ja, zegt een van de ‘jaloerse’ reisgenoten, dan is het geen echt wonder.

Balanceer-act tussen ernst en ironie

Hausner plaatst haar hoofdrolspelers te midden van alle rituelen die met een pelgrimstocht gepaard gaan. Kijkers die, net als Christine, weinig affiniteit hebben met religie, worden niettemin keurig bediend. Er zijn genoeg aanknopingspunten om de film ironisch te bezien. Maar die signalen kun je evengoed negeren. Hausner gaat nooit over tot spot, waardoor oprechte gelovigen zich geenszins door Lourdes geschoffeerd hoeven te voelen. Voor Lourdes had Hausner toestemming gekregen om in het echte bedevaartsoord te filmen. Toen ik de film indertijd in LUX zag, waren er diverse bezoekers die niet konden nalaten om plekken aan te wijzen waar zij zelf ook geweest waren. Maar terwijl Lourdes zich had bewezen als een perfecte balanceer-act tussen ernst en ironie, raakte dat evenwicht met Club Zero verstoord: wellicht bedoeld als satire, maar de film is te ernstig waardoor die mat uitslaat. Maar ik heb er toch iets van opgestoken. Na afloop van Club Zero heb ik mijn patatje met mayo volgens de ‘Bewust Eten’-regels van Miss Novak lekker langzaam kauwend opgegeten.

Getagd onder