Terug naar de natuur: Captain Fantastic
In zijn studie Driving Visions stelt de Amerikaanse filmwetenschapper David Laderman dat het genre van de road movie pas daadwerkelijk geboren wordt in 1967, met Bonnie & Clyde van Arthur Penn, en slechts een korte periode van echte roem kent, met onder meer Easy Rider (Dennis Hopper, 1969) en Two Lane-Blacktop (Monte Hellman, 1972). De personages hebben geen economische motivatie om te reizen, maar voelen simpelweg een intrinsieke drang. Ze nemen de vrijheid om er per motor of auto op uit te trekken, zonder heldere bestemming. Hoe verhoudt Captain Fantastic (Matt Ross, 2016), aanstaande zondag te zien in LUXRewind, zich tot dit idee van de road movie?
Je zou denken dat de road movie al veel ouder is dan 1967. Dat klopt in wezen ook, maar volgens Laderman zijn films als I Was a Member of a Chain Gang (Mervyn Leroy, 1932), The Grapes of Wrath (John Ford, 1940) of Detour (Edgar G. Ulmer, 1945) slechts inleidende beschietingen. Tot aan 1967 was er altijd wel een gegronde reden om te reizen: op de vlucht voor een verleden of behept met de hoop dat elders het gras groener is. Voor Laderman is de volbloed road movie echter het meest rebelse van alle klassieke genres: je moet én geheel uit vrije wil aan de tocht beginnen én geen enkel burgerlijk belang (willen) dienen. Rond 1970 was je dan waarschijnlijk een ‘linkse hippie’; heden ten dage misschien eerder een ‘rechtse wappie’, denk aan de VPRO-serie Wakker in Paraguay.
Voor Laderman is het cruciaal dat in de road movie de trip voldoende serieus wordt genomen. Veel van de jaren tachtig films zijn te laconiek en ironisch naar zijn zin, zoals Stranger than Paradise (Jim Jarmusch, 1984), Raising Arizona (Joel and Ethan Coen, 1987) en de ‘ergste’ van het trio, Wild at Heart (David Lynch, 1990). Na deze ‘lolbroekerij’ beleeft het genre een heropleving dankzij een identiteitspolitieke en antiburgerlijke insteek: de twee vrouwen die hun ‘innerlijke gekte’ ontdekken in Thelma and Louise (Ridley Scott, 1991) en de verkenning van homoseksuele verlangens in My Own Private Idaho (Gus van Sant, 1991).
Paradijs à la Plato
De situatie in Captain Fantastic is anders, omdat hier een gezin met zes kinderen al sinds tien jaar in een bos woont, waar ze een eigen ‘paradijs’ hebben gesticht in de geest van Plato’s De Staat, gebaseerd op ideeën over rechtvaardigheid. Een aanvullende reden voor hun terugtrekking is de manische depressiviteit van moeder Leslie: vader Ben meende dat hij zich moest afkeren van de maatschappij omdat de medische zorg ertoe neigt om patiënten te ‘overbehandelen’. Hij staat uitermate argwanend tegenover Big Pharma. Niettemin is Leslie bij het begin van de film in therapie, betaald door haar rijke familie.
Al snel tekent het centrale conflict zich af in Captain Fantastic. Nadat Ben van zijn zus Harper heeft gehoord dat Leslie haar polsen heeft doorgesneden, belt hij met zijn schoonvader Jack. Deze dreigt Ben te laten arresteren als die het waagt om naar de uitvaart van zijn enig kind te komen. Ben werpt tegen dat Leslie niet begraven wil worden, maar als overtuigd boeddhist een crematie wenst. In haar testament zal hij lezen dat haar as in een toilet moet worden uitgestrooid. Als Ben aan zijn kinderen vertelt dat ze niet welkom zijn bij de gebedsdienst, zet hij doedelzakmuziek op en zegt: ze kunnen de pot op. Het gezin zal een lange tocht naar New Mexico moeten maken in een oude bus om tijdig aanwezig te zijn bij de uitvaart. Hun missie wordt om moeder te ‘redden’ van een teraardebestelling.
Als het gezelschap onderweg bij een bank naar binnen gaat, merkt het jongste kind Nai op dat er alleen maar dikke mensen zijn, ‘net nijlpaarden’. Als hij erop wordt gewezen dat je geen andere mensen belachelijk mag maken, voegt dochter Vespyr toe: ‘Alleen christenen’. Deze terloopse zin, die niet weersproken wordt door de vader, onthult dat Ben en zijn vrouw een wrok koesteren tegen de wijze waarop christenen, zoals Leslies ouders, hun religie belijden.
Schijnheiligheid beu
Wanneer Nai over ‘fascistische kapitalisten’ spreekt, dan kan het niet anders dan dat hij de taal van zijn ouders herkauwt. Wij krijgen de indruk dat Ben en Leslie gekant zijn tegen de manier waarop christenen als haar vader en moeder in weelde baden. Als devote gelovigen sympathiseren opa en oma ‘officieel’ met de minder bedeelden, maar hun mededogen met anderen wordt uitsluitend met de mond beleden. Tegen deze hypocrisie ageren Leslie en Ben: vermeend goede christenen verklaren zichzelf solidair met de armen, maar ondertussen wonen ze in een ‘vulgair’ riant onderkomen. Deze schijnheiligheid beu, heeft Leslie met Ben voor een ‘terug naar de natuur’-houding gekozen.
In de ongecultiveerde omgeving ondergaan Bens kinderen volop fysieke trainingen, leren ze om tegen een bergwand te klimmen en brengt vader ze gevechtstechnieken bij. Ook moeten ze ervaring opdoen met het doden van dieren, want in hun zelfvoorzienende mini-gemeenschap dienen ze op termijn voor hun eigen eten te kunnen zorgen. In de openingsscène wordt oudste zoon Bodevan – afgekort Bo – van jongen tot ‘man’ verklaard door zijn vader nadat hij met enkel een mes een hert heeft gedood.
Tegelijkertijd geeft Ben hen zijn versie van thuisonderwijs: ze kunnen de grondwet opzeggen, en moeten boeken lezen waarover ze een test krijgen. Die boeken betreffen ook vuistdikke pillen, zoals De gebroeders Karamazov van Fjodor Dostojevski en Middlemarch van George Eliot. Als een van de kinderen op eigen initiatief aan Vladimir Nabokovs Lolita begonnen is, vraagt haar vader haar om een analyse die verder gaat dan een plotbeschrijving.
Noam Chomsky
In andere road movies waarin hoofdpersonages de maatschappij de rug hebben toegekeerd, zoals Into the Wild (Sean Penn, 2007) en Wild (Jean-Marc Vallée, 2014), gaat het om solitaire keuzes: het zijn eenlingen die de wildernis opzoeken. Ben, daarentegen, is een vader die verantwoordelijkheid draagt voor zes kinderen. Zijn zus houdt hem voor: ja hoor, je kinderen zijn uniek, met unieke namen, met een groot atletisch vermogen en ze bezitten specifieke kennis, maar ze missen fundamentele sociale vaardigheden. Bovendien heeft Ben, als vader, de keus voor hen gemaakt dat ze zo moeten leven. Op deze manier worden ze nooit zelfstandige wezens. Worden zij ‘fucking freaks’, zoals Bo zijn vader op een gegeven moment voor de voeten werpt?
Ben pretendeert de wijsheid in pacht te hebben. Dat blijkt ook uit zijn weigering om Kerst te vieren, want religies zijn gevaarlijk gefabriceerde sprookjes. Liever organiseren ze een dag ter ere van de taalkundige en filosoof Noam Chomsky, geboren in december. Dat Chomsky’s naam tegenwoordig met Jeffrey Epstein in verband wordt gebracht, dat kan de film uit 2016 moeilijk worden aangewreven, want die kennis was toen onbekend. Maar Chomsky staat in Captain Fantastic voor een vorm van kennis die onweerlegbaar zou zijn en op empirische grondslag is gebaseerd. Op de vragen van zijn jongste kind: ‘Wat is verkrachting? Wat is geslachtsgemeenschap?’ geeft Ben onomwonden antwoord. Op de vraag ‘Wat is cola?’ krijgt het kind ook een stellige reactie: ‘Vergiftigd water.’
Maar bedoeld of niet, met Bens lofzang op de positivistische filosofie van Chomsky wordt ook de grens gemarkeerd van het ‘terug naar de natuur’-project. Chomsky is eind jaren zeventig in opspraak geraakt toen hij aanvankelijk de gruweldaden van het Rode Khmer-regime in Cambodja relativeerde (Bens zoon Zaja heeft zelfs een ‘Pol Pot’-collectie in zijn berghut gemaakt). De horrorberichten zouden ontsproten zijn aan Amerikaanse propaganda. Later moest Chomsky daarop terugkomen toen de omvang van de door Pol Pot aangerichte killing fields duidelijk werd. Hij bleef echter volhouden dat hij met de beperkte data van toen geen ongelijk had.
Slavoj Žižek
Op een gegeven moment is Chomsky in een hevige polemiek verwikkeld geraakt met de Sloveense cultuurfilosoof Slavoj Žižek, die over film stelt dat het een medium bij uitstek is dat ons instrueert hoe te ‘verlangen’. Chomsky verwijt Žižek dat diens denken te speculatief is, want gericht op concepten die zich niet via de ratio laten verklaren. Maar schuilt in dit standpunt van Chomsky niet ook het probleem van de rol die Ben zich als ‘Captain Fantastic’ aanmeet? Ben denkt dat hij een perfect inzicht heeft in hoe de wereld in elkaar steekt, maar miskent daarmee hoe zijn opvattingen gestuurd zijn door zijn verlangens. Pas tegen het eind slaat twijfel toe. Heeft hij zich misschien toch vergist, zo vraagt hij zich ten langen leste af. Zijn vrouw is niet genezen in de natuur. Ruïneert hij ook de levens van zijn kinderen?
En hoe moeten we de laatste twintig minuten duiden vanaf het moment dat Ben zich scheert? Gebeurt wat volgt daadwerkelijk of speelt het zich in zijn verbeelding af? Maar als dat laatste het geval is, dan kantelt de film van een man met kennis naar een man vol verlangen. Dan moet hij niet langer de verjaardag van Chomsky gedenken, maar liever die van Žižek. De Sloveen is in maart jarig, vlak voordat christenen traditioneel Pasen vieren.