Drie keer een kloof: Blue Heron, Resurrection, Divine Comedy
Soms moet je ook gewoon de aanbevelingen van filmcritici ter harte nemen. Had ik vooraf heel veel fiducie in Blue Heron van de Canadese Sophy Romvani, door de distributeur omschreven als een ‘intieme zoektocht naar herinnering, verlies en begrip binnen een gezin onder druk’? Ik vond het een weinig aanlokkelijk vooruitzicht. Maar Belinda van de Graaf verzekerde de lezers van Trouw in haar 5-sterren recensie dat het een spaarzame film is ‘die alle zintuigen op scherp zet’. Dan toch maar eens met eigen ogen en oren testen of ze gelijk heeft. Bent u allergisch voor (een beetje) spoilers, spoedt u dan eerst naar LUX, lees daarna dit stuk.
Blue Heron begint als een terugblik via een voice-over. De vertelster mijmert dat herinneringen niet hoeven te stroken met een daadwerkelijk beleefde jeugd. Vervolgens gaan we zo’n twintig jaar terug in de tijd naar de late jaren negentig – dat zie je al aan de computer van vader. De achtjarige Sasha is de jongste van vier in het Canadees-Hongaarse gezin; ze heeft twee volle broers vlak boven haar plus een duidelijk oudere halfbroer, zoon van haar moeder uit een eerdere relatie. Ze zijn net verhuisd naar Vancouver Island, een idyllisch eiland in de Grote Oceaan.
Met zijn wat vale kleuren en zomerse geluiden (sproeiers, krekels) is het eerste deel geweldig in zijn terloopsheid. We zien allerlei alledaagse bezigheden die een achtjarige eigen zijn. Sasha speelt met vriendinnetjes en komt met natte kleren thuis; ze kijkt loom televisie met haar broers; ze plukt verveeld aan haar haren op de bank; ze probeert met haar moeder aardappels te schillen; ze tekent een muis op papa’s computer.
Balsturige halfbroer
Toch is dit eerste deel op een nonchalante manier gespleten. Aan de ene kant heeft de film een in een zekere nostalgie badende toon, vanwege de relatieve zorgeloosheid waarmee een achtjarige in het leven staat. Aan de andere kant vult Sasha de reconstructie van haar jeugd aan met haar kennis van nu over de ‘crisis’ waarin het gezin verkeert.
Het centrum van aandacht van haar ouders is haar balsturige halfbroer Jeremy. Hij is een zorgenkind dat volstrekt onvoorspelbaar handelt: hij heeft zijn lieve momenten, maar kan net zo goed een basketbal tegen de muur blijven gooien, terwijl de rest wacht om met de auto te vertrekken. Als ze een middag naar zee zijn, is hij foetsie en vinden ze hem veel later bij een benzinestation. Hij gaat roerloos in de voortuin liggen, waarna de overburen bellen of hij misschien dood is. En hij is een notoire kleptomaan.
Terwijl het eerste deel gefilterd wordt via de herbeleving van Sasha’s vroege jeugd, die zich dan nog maar half bewust is van de onhandelbaarheid van Jeremy, krijgen wij in haar terugblik voldoende mee dat er met de broer geen land te bezeilen is. Die kloof tussen ‘ik weet maar half wat er aan de hand is’ (Sasha’s ervaring) en de paniek van haar ouders, die een kinderpsycholoog hebben ingeschakeld, wordt voorbeeldig uitgespeeld in Blue Heron. Het redelijk ontspannen perspectief van Sasha die alles gelaten ondergaat, vermengt zich met het besef dat het gezin onder hoogspanning staat door Jeremy’s kuren: over het dak lopen of zijn hand verwonden door een ruit stuk te slaan.
Vage diagnose
Er wordt bruusk overgeschakeld naar een tweede deel waarin een volwassen Sasha overdenkt wat de invloed van haar probleembroer is geweest, die twintig jaar eerder uit huis is geplaatst. Ze probeert terug te halen via een reconstructie achteraf wat toen deels aan haar aandacht ontglipte. Indertijd werd er een vage diagnose gesteld, maar Sasha wil haar broer beter doorgronden en wil van experts weten wat ze nu zouden aanvangen met een casus die zij als anoniem presenteert, terwijl wij ons realiseren dat het om haar halfbroer gaat.
De stijl van de film is in dit tweede deel tamelijk klinisch. Sasha wil het gebrek aan een diagnose tot het onderwerp van een documentaire maken, en net als je denkt dat dit zo veel fletser is dan het eerste deel doet Blue Heron iets briljants. De actrice die de 28-jarige Sasha speelt, is – of eigenlijk wordt – de maatschappelijk werkster die twintig jaar geleden bij haar ouders langskwam om het geval-Jeremy door te lichten. Zij vraagt eerst om een rondleiding door het huis en ziet de vier kinderen naar de televisie kijken, onder wie haar jongere ‘ik’. Zij wisselt een relatief langdurige blik met de achtjarige Sasha, die tamelijk onverschillig oogt, terwijl de volwassene kijkt met een ‘je moest eens weten’-houding.
Zo’n blikuitwisseling klinkt simpel, en het is op zich simpel, maar zoals Johan Cruijff eens zei: ‘Voetballen is simpel, maar het moeilijkste wat er is, is simpel voetballen.’ De scène met de oudere Sasha en het kind Sasha is het filmische equivalent hiervan: het ziet er doodnormaal uit, maar het is ontstellend effectief én beklemmend. Je zou geneigd zijn om te zeggen dat Blue Heron de problematische broer nodig heeft om naar dit sleutelmoment toe te werken. Dit moment, de confrontatie met haar jongere ‘ik’, is vereist zodat Sasha – als maatschappelijk werkster – mentaal geprepareerd is om een interview te kunnen houden met eerst de ouders over Jeremy (in wezen haar eigen ouders), en daarna nog een gefingeerd gesprek met haar broer.
Getergd land
Over de Chinese film Resurrection van Bi Gan, sinds donderdag te zien in LUX, schreef ik al een paar maanden geleden (als mijn nummer 10 van 2025). Die positie op mijn jaarlijst maakt het sowieso al tot een aanbeveling van mijn kant. Ik duidde die als een film over zintuigen met verhalen over 'de geest van de bitterheid' en het talent om kaarten te ruiken. Bovendien is het een metafilm over de parallel tussen film en droom, want in Resurrection worden dromers als gevaarlijk beschouwd omdat ze de lineariteit van de tijd ontwrichten. Die dromen hebben een filmisch karakter, en dat ligt in het verlengde van het oordeel van criticus Ronald Rovers die de film bij de wereldpremière in Cannes in mei 2025 opvatte als een fraaie ‘wandeling door de filmgeschiedenis’.
Maar onlangs zag Rovers de film opnieuw. ‘En opnieuw. Ik werd omvergeblazen.’ Sindsdien gaapt er een kloof tussen zijn eerste en daaropvolgende kijkbeurten. Meer nog dan een metafilm is Resurrection voor Rovers nu vooral een verbeelding van het nationale sentiment in China. Bi Gan biedt een schets van een ‘woest en getergd land’ in ruwweg vijf perioden van twintig jaar. Zijn recensie in Filmkrant besluit Rovers met: ‘De ideeën achter de film buitelen over elkaar heen. Ga zien. Ga twee keer zien. Ga zo vaak zien als nodig.’ Die raadgeving om de film opnieuw te gaan kijken, zal ik navolgen.
Iraanse satire
Er is na Resurrection en Blue Heron een derde film die mij momenteel goed bevalt en dat is de Iraanse droogkomische satire Divine Comedy van Ali Asgari. Ook hier is sprake van een kloof, want hoe uiterst luchtig de toon ook is, de feitelijke sociale context is niettemin even ernstig als gekmakend. Bahram Ark speelt de Iraanse regisseur Bahram die veel succes boekt op buitenlandse festivals; tot wel drie keer toe horen we iemand zeggen dat hij tot de ‘top tien van filmmakers in de wereld’ behoort. Dat is in zekere zin schertsende lof, want niemand in Iran kent zijn werk, omdat vertoningen verboden zijn in zijn thuisland. Ze kennen feitelijk alleen zijn debuut Kans voor Tanks dat hij samen met zijn opportunistische tweelingbroer Bahman regisseerde. Bahram spreekt schamper over die amateuristische eersteling en heeft geen goed woord over voor de ‘obscene’ lachfilms van zijn broer wiens werk zeer populair is in Iran: ‘Eén shot van mij is meer waard dan een hele film van hem’.
Bahrams missie is simpel: achterop de scooter bij zijn producente met haar blauw geverfde haren maakt hij een rondgang in de hoop zijn laatste internationale succes alsnog aan een Iraans publiek te kunnen tonen. Hij komt echter al niet voorbij de portier van de censuurcommissie; pas wanneer hij zegt dat hij Bahman is (en niet Bahram), gaan de deuren open. Tragisch genoeg moet hij de reputatie van zijn rijke, maar in zijn ogen onbeduidende broer misbruiken om binnen te komen. In het onderhoud met de ambtenaar van de commissie blijft de statische camera in een uiterst lange take consequent gericht op Bahram, die als een jonge Woody Allen oogt.
Dante
Hij wordt bestookt met ergerlijke vragen: Waarom schetst de film een sympathiek beeld van een hond? Waarom zijn zijn films Turks-Azeri gesproken en niet Perzisch? Zijn familie spreekt Turks en bovendien moet zijn volgende film over Shah Tahmasp (1514-1576) gaan, een Iraanse heerser die thuis enkel Turks sprak. Hij krijgt als weerwoord: laat hem Perzisch spreken, niemand klaagde dat Jezus in The Last Temptation of Christ Engels sprak; gebruik je verbeelding, daar drijft film toch op. De houding die Bahram de hele film niet zal verlaten, is er een tussen lichte wanhoop en berusting, want steeds stuit zijn ogenschijnlijk eenvoudige wens op praktische bezwaren, doorgaans van futiele aard. Het lijkt onbegonnen werk om de code van het systeem te kraken, omdat hij vooral omgeven wordt door ruggengraatloze paljassen.
Divine Comedy verwijst op een speelse wijze naar Dantes Middeleeuwse dichtepos De goddelijke komedie. Eerst moet Bahram uit de ‘hel’ zien te komen (de censuurcommissie), dan meldt een toevallig passerende ‘profeet op Crocs’ dat Bahram in het vagevuur zit. De filmmaker probeert een zichzelf hoogschattende acteur – tevens eigenaar van een wat provisorische bioscoop, die pocht over 4K projectie – te paaien door hem een hoofdrol aan te bieden in zijn nog te maken vrije bewerking van Dantes werk. De coke-snuivende acteur begint gelijk uit het eerste vers van Dantes Vagevuur te reciteren.
Bahram wordt omgeven door zelfverklaarde cinefielen. De bioscoop heeft een programma met ‘sportfilms in sociologisch perspectief’: het blijkt te gaan om zes Rocky-films. De dwingende investeerder Haji zweert bij religieuze fantasy zoals Darren Aronofsky’s Noah. Broer Bahman heeft een grote Godard-foto aan de muur, maar maakt ondertussen pulp als The Fox Valentine 2. En The Matrix wordt steeds aangehaald als een meesterwerk, maar daar is Bahram inmiddels anders over gaan denken. Wat denkt u: gaat Bahram te midden van deze ‘filmhebbers’ de ‘hemel’ bereiken en zijn hondvriendelijke festivalfilm ongestoord vertoond krijgen?