Nederlandse cinema, anno 2024: Van Krazy House tot Bijt
Ik verslikte me zowaar in mijn ochtendkoffie toen ik in de krant las dat een commissie aan de gemeente Utrecht had geadviseerd het Nederlands Film Festival (NFF) vanaf 2025 geen structurele subsidie meer te verlenen. Is dat omdat het plan inderdaad te matig en te weinig concreet was, zoals in het rapport Kleur bekennen stond, of heeft de commissie nauwelijks fiducie in de Nederlandse cinema?
Noem een cultureel evenement in Utrecht, en velen van u zullen het Nederlands Film Festival zeggen. Het is al ruim veertig jaar, sinds 1981, in Utrecht ‘geworteld’ en het mooiste signaal daarvan zijn de tegels in de Vinkenburgstraat met handafdrukken van acteurs en actrices die een Gouden Kalf hebben gewonnen. Het verbaast mij dus wel dat zelfs op het criterium ‘betekenis voor de stad’ het NFF slechts 20 van de 30 punten scoort in het rapport. Als de gemeente Utrecht het advies volgt, kan het festival zijn langste tijd in de Domstad wel eens gehad hebben, net nu een nieuw tijdperk zou aantreden met de onlangs gepresenteerde directeur Ido Abram, die zo gepokt en gemazeld is in de Nederlandse filmwereld.
Er waren bij de gemeente Utrecht 105 aanvragen ingediend, met een totaalbedrag van ruim 23 miljoen euro, en dat is 5,2 miljoen meer dan Utrecht beschikbaar stelt. Het NFF zette in op zo’n 6 ton op jaarbasis voor de periode 2025-2028, maar krijgt volgens het advies helemaal niets. Nogal wiedes dat zakelijk directeur Marjolein Bronkhuyzen ‘stomverbaasd’ was. Het NFF zag de tegenvaller totaal niet aankomen, want ‘geen enkel signaal of gesprek wees in deze richting’. Hoe gaat zoiets in z’n werk? Commissieleden worden benoemd en na ampel beraad doen zij een uitspraak over wie wat en hoeveel krijgt. Die leden hebben het recht om de traditie van een festival of instelling te negeren, en hun oordeel strikt te baseren op de aangeleverde tekst. Bronkhuyzen bezwoer dat ze de aanvraag echt heel serieus hadden genomen, en veronderstelt dat alles op een misverstand berust.

Tussentijdse balans
Maar het NFF is natuurlijk wel een festival met een achilleshiel. Laten we het even afzetten tegen het Nijmeegse Go Short, dat van heinde en ver een variëteit aan films krijgt toegestuurd. Go Short kan het zich permitteren om heel selectief te zijn, want er is keus zat. Het NFF, daarentegen, heeft van oudsher als speerpunt de vaderlandse oogst aan (speel)films, maar heeft het in de loop der tijden al opgerekt, met onder meer virtual reality en met televisieseries. Dankzij blikvangende series als Mocro Maffia en Santos heeft die koers als bijkomend voordeel dat men inclusiever kan opereren.
Als ik voor mezelf spreek, dan blijven de fictiefilms de hoofdmoot vormen, maar juist dat houdt niet over. Laten we een tussentijdse balans opmaken vanaf het vorige NFF waar Sweet Dreams van Ena Sendijarević met zes Kalveren de logische gouddelver was bij gebrek aan heuse concurrentie. Er zijn de op een groot publiek gerichte bioscoopfilms, zoals Verliefd op Bali van Johan Nijenhuis, De Tatta’s 2 van Jamel Aattache en Bon Bini: Bangkok Nights van Pieter van Rijn. Die laatste twee werden Platina Film, met meer dan 400.000 bezoekers. Zulke successen worden door het NFF omarmd, maar het festival pronkt er niet mee: deze films worden zelden genomineerd voor Gouden Kalveren.
Andere publiekstrekkers zijn de ‘senioren’-films. Zowel Neem me mee van Will Koopman over zes 70-plussers op weg naar Frankrijk als De terugreis van Jelle de Jong zijn door de barrière van 100.000 bezoekers. Ik heb alleen de laatste gezien, die al een flink aantal weken in LUX draait. De film gaat over een getrouwd stel (Martin van Waardenberg en Leny Breederveld) die per auto naar Spanje reizen in de veronderstelling daar een oude vriend te treffen. Hoe sympathiek ook (en ik gun vooral Breederveld een Gouden Kalf-nominatie), het is geen film waarmee je de nationale cinema op de kaart zet. De terugweg is desalniettemin net wat aangenamer dan De laatste ronde van Boris Paval Conen (ook in LUX te zien). Tijdens het renoveren van een bouwval mijmeren vier oudere vrienden over de dingen die voorbijgaan. Laat ik het erop houden dat De laatste ronde in elk opzicht de venijnigheid ontbeert van Conens Temmink (1998), met Jack Wouterse als kooivechter.

Krazy House
Een aparte categorie vormt Krazy House van Steffen Haars en Flip van der Kuil. De film ging in wereldpremière op het gerenommeerde Sundance Film Festival, met dank aan de casting van Alicia Silverstone en Nick Frost. Ook werd die uitverkoren voor het prestigieuze IFFR. Maar juist nu Steffen en Flip een dergelijk keurstempel krijgen, is de film enorm geflopt – in Pathé Nijmegen draaide die slechts één week.
In 2010 boekten Steffen en Flip een gigantische bioscoopknaller met New Kids Turbo, meer dan één miljoen bezoekers. Die New Kids-film landde indertijd zo goed omdat die gemaakt was in een tijd van economische crisis: daarmee was er een soort van legitieme voedingsbodem voor de nihilistische ‘schijt aan alles’-mentaliteit van de hangjongeren. Sindsdien zitten de films van Steffen en Flip in een neerwaartse spiraal: elke vervolgfilm behaalde ongeveer de helft van de vorige titel, en Krazy House zakte zelfs door die ondergrens.
Ik kan hun geflirt met wansmaak best waarderen, niet alleen in de twee New Kids-films maar ook in Bros before hos (2013) en de film over low-budget stuntman Ron Goossens (2017). Bij Krazy House hadden de thuisblijvers echter geen ongelijk. Want waarom zou je anno 2024 een parodie vol hilarische kolder maken op Amerikaanse jaren negentig sitcoms (behalve dan dat je daar als maker zin in hebt)? Krazy House probeert Married with Children te overtreffen in flauwiteiten, maar het resultaat daarvan is toch vooral wat flauw, op het tenenkrommende af. Overigens wordt de film wel iets beter naarmate er meer horror in sluipt en er naar breedbeeld wordt overgeschakeld.

Bijt
Het vlaggenschip van de Nederlandse cinema wordt evenwel gevormd door de arthouse films, en hoewel die gemiddeld genomen goede kritieken krijgen, zijn de bezoekcijfers teleurstellend laag: De dans van Natasja van Jos Stelling, Melk van Stefanie Kolk, The Waste land van Chris Teerink, of wat te denken van Future Me van Vincent Boy Kars dat zelfs geheel aan Nijmegen voorbijging.
Ik vrees dat het onlangs uitgebrachte Bijt van de 25-jarige, in Venray geboren autodidact Guido Coppis eenzelfde lot beschoren zal zijn. De film was geselecteerd voor het IFFR, en ik kan veel behartigenswaardigs over de heldere regievisie zeggen: een prachtig industrieel geluidsontwerp met beklemmend effect; een fraaie koperkleurige gloed over de monochrome beelden; er zijn volop stiltes tussen de traag en met weinig dictie uitgesproken dialogen (eerder à la Bresson of Lanthimos dan wat we kennen van het harde dat de Nederlandse taal eigen is); hoofdpersonage Mark ontfermt zich over de aandoenlijke herdershond Arti, en Reinout Scholten van Aschat excelleert in de hoofdrol.
Maar voordat u mij erop aanspreekt dat ik de film van harte aanbeveel: de film biedt expres geen heldere psychologie; we kennen de achtergrond van Mark niet en evenmin die van Lisa met wie hij iets van een relatie ontwikkelt. Zij oogt lieflijk en heeft als hobby het kweken en drogen van vlinders, maar zij kan zomaar uit het niets agressief gedrag vertonen tegenover wildvreemden. Zelf leeft Mark in een donkere tunnel, heeft kiespijn, stoot wat klanken uit op een bugel en misbruikt een drugsverslaafde. Qua naargeestige sfeer moest ik bij tijd en wijle aan Mike Leighs Naked (1993) denken, waarmee ik nog niet wil beweren dat Bijt dezelfde impact nalaat.

Only the River Flows
Hoewel het plotloze van Bijt mij persoonlijk niet stoorde, was het wellicht debet aan de lege stoelen om mij heen. Toen ik in hetzelfde weekend de Chinese film Only the River Flows van Wei Shujun zag (te zien in LUX), vroeg ik me af waarom Mark niet ook een depressieve detective had kunnen zijn? In Only the River Flows drukt een reeks van moorden op het gemoed van de inspecteur, waardoor hij waan en werkelijkheid niet meer van elkaar kan onderscheiden. In de allerbeste scène bekijkt hij dia’s terwijl hij in een halfslaap het mysterie als filmbeelden invult. Op dat moment gaan wij beseffen dat hij steeds verder wegdrijft van een ontknoping.
Was ik scriptdokter bij Bijt geweest, dan had ik Coppis geadviseerd om zijn portret van Mark in te bedden in een (neo-)noir-achtige verhaallijn. Een moordmysterie hoeft niet meer te zijn dan een kapstok, een afleidingsmanoeuvre om een portret van een getormenteerde ziel te schetsen. Je kunt nog steeds een min of meer vergelijkbare film maken volgens eenzelfde regievisie, maar wel met als voordeel dat je hem kunt insteken als een (artistieke) genrefilm. Commercieel net wat aantrekkelijker.