Krul van de meester: Murnau, Herzog, Eggers
De films van Robert Eggers imponeren, dat staat buiten kijf. De man beschikt ontegenzeglijk over een visuele flair, op het bombastische af, en zijn achtergrond als production designer kun je er aan aflezen. Maar zijn de films van Eggers mij even dierbaar als die dat voor collega Jonatan Faber zijn? Ik ben wat sceptischer over zijn oeuvre, en de titel van dit stuk over zijn vierde langspeelfilm Nosferatu moet dan ook licht ironisch worden opgevat.
In een interview bij BFI Londen memoreerde Eggers dat iemand blijkbaar ooit de hand had weten te leggen op zijn korte film Hansel and Gretel uit 2006 en die op YouTube had gezet. Hij raadde beginnende filmmakers aan om die te kijken: dan kunnen ze zien hoe je na zulk broddelwerk toch nog altijd een succesvolle loopbaan in de cinema kunt ontwikkelen.
Negen jaar na zijn sprookjesshort gaf zijn langspeelfilmdebuut The Witch (2015) een welkome injectie aan de traditie van folk horror. Ergens rond 1630 wordt een gezin uit de gemeenschap verbannen vanwege een religieus dispuut en trekt het zich terug in een bosrijke omgeving. Vanwege het relatief smalle kader lijken de personages nog kleiner af te steken tegen de hoge, verticale bomen. De binnenscènes werden met kaarslicht gedraaid, de buitenscènes vooral op bewolkte dagen. Er hangt een permanent dreigende sfeer die de opmaat vormt voor duivelse verwikkelingen met een zwarte geit.
The Lighthouse
Opvolger The Lighthouse (2019) is een claustrofobisch drama, over twee mannen bij een vuurtoren, afgesloten van de wereld daarbuiten. Gedraaid op film, in zwart-wit, ouderwets 4:3 formaat en met oude lenzen, alles om het er als een film van vroeger te laten uitzien. Je zou verwachten een kolfje naar mijn hand, maar ik had moeite om The Lighthouse te omarmen. Hoe fraai ook de shots met de markante hoofden van Willem Dafoe en Robert Pattinson, het was mij wat te cerebraal. Het wordt ‘vlek-op-vlek’ omdat Eggers uitsluitend verantwoord film-artistieke keuzes maakt bij een typisch voorspelbaar arthouse thema over mannen die zo geïsoleerd zijn dat ze aan waanzin ten prooi vallen.
Een gedachte die ik nooit heb als ik een film van Michelangelo Antonioni, Robert Bresson of Béla Tarr zie, stak bij The Lighthouse de kop op: maakt Eggers deze film zodat mensen na afloop zullen zeggen, goh, Robert, wat heb jij een mooie, kunstzinnige film gemaakt en dan ook nog met topacteurs. Misschien denk ik er milder over als ik de film eens zou herkijken.
In mijn ogen herpakte Eggers zich met zijn derde film, want dat hij na The Lighthouse het bloederige Viking-epos The Northman (2022) regisseerde, sprak dan weer in zijn voordeel. Daarmee gaf hij er blijk van dat hij risico’s durft te nemen, te meer omdat, anders dan bij bijvoorbeeld Gladiator, de personages niet zomaar zijn onder te verdelen in moreel goed of fout.
Werner Herzog
Door zijn vierde film Nosferatu te noemen, roept Eggers heel specifiek Murnau’s zwijgende horrorfilm uit 1922 in herinnering. De weduwe van Bram Stoker had geprobeerd om het bestaan van deze klassieker te dwarsbomen, vanwege te grote overeenkomst met de plot van de door wijlen haar echtgenoot geschreven roman Dracula. Dat gebeurde uiteindelijk niet waardoor je kunt stellen dat Murnau’s film zo ‘onsterfelijk’ is als een vampier.
In 1979 maakte Werner Herzog al een remake van Nosferatu, die deels in Delft werd opgenomen, waar duizenden ratten waren losgelaten. De versie van Herzog geldt als het prototype van een hommage. Hij doet geen poging om het origineel te verbeteren, maar met zijn eerbetoon voegde Herzog zich als Duitse filmmaker van na de oorlog in een traditie van de Duitse cinema die niet besmet was door de nazi’s en hun ‘brood en spelen’-entertainment. Murnau, samen met Fritz Lang de grootste Duitse filmmaker in het zwijgende tijdperk, was immers al in 1931 bij een auto-ongeluk overleden, nog voor Hitler aan de macht was gekomen. Herzog wilde daarmee laten zien: kijk, ik overbrug de kloof van de pre-nazi cinema tot de Duitse films van de jaren zeventig, gemaakt door een generatie die in luiers rondkroop toen de Tweede Wereldoorlog ten einde liep of al net voorbij was (Herzog is van 1943; Wim Wenders en Rainer Werner Fassbinder van 1945).
Zielsverwantschap
Maar wat was dan Eggers’ drijfveer? Om te beginnen wilde hij de rol van de vrouw vergroten en aangeven dat zij een spirituele dimensie heeft, die de op ratio gerichte maatschappij niet kan erkennen. In Murnau’s film zien we dat in de scène dat Ellen slaapwandelt. Murnau doet dan iets wat hij in geen van zijn verdere films zal doen: hij snijdt heen en weer tussen locaties. Ellen is in Wisborg, Duitsland, en raakt in een staat van paniek. In Transsylvanië buigt graaf Orlok (Nosferatu) zich ondertussen over een slapende Thomas, de verloofde van Ellen. Orlok kijkt over zijn schouder en het lijkt alsof hij op Ellens smekend naar voren gestoken armen reageert. We zien daarna hoe Orlok zich terugtrekt en Ellen zakt uitgeput in kussens.
Deze scène in Murnau’s Nosferatu rond minuut 35 introduceert het idee van een zielsverwantschap tussen Ellen en Nosferatu, en door Ellen een centralere rol te geven, versterkt Eggers dat idee: Ellen voelt een demonische aantrekkingskracht tot de graaf. Zij heeft in melancholie gedrenkte dromen over ‘de Dood’, en het is een ‘hunkering’ die in de beleving van Ellen als een slang door haar lichaam kronkelt.
Naar eigen zeggen wilde Eggers dus aanscherpen wat al in de klassieker verborgen zat. Sowieso was zijn insteek om terug te keren naar de wortels van de legende. Zo liet hij zich ontvallen in het interview bij BFI dat hij de vampier weer ouderwets eng wilde maken, zoals dat gold voor de versie van Murnau, die hij als negenjarige voor het eerst op een slechte VHS-kopie zag en hem desondanks schrik aanjoeg. De vampier bij Herzog was misschien wat meer treurig dan eng, maar nadien was de vampier vooral een figuur geworden die bijna haaks was komen te staan op de eigen reputatie.
Gary Oldman maakte er een bij uitstek tragisch-romantisch personage van in Francis Ford Coppola’s versie van Dracula (1992); Brad Pitt ontwikkelde een geweten in Interview with the Vampire (Neil Jordan, 1994) en wilde geeneens meer mensenbloed drinken maar koos voor het minder smakelijke bloed van ratten; Shadow of a Vampire (E. Elias Merhige, 2000) speelt met het melige idee: wat als de oude Nosferatu-acteur Max Schreck echt een vampier was? In het bijzonder grappige What We Do in the Shadows (Taika Waititi and Jemaine Clement, 2014) lijkt het leven van een groep vampiers op het reilen en zeilen in een hedendaags studentenhuis, en in de Twilight-films leeft de vampier er met de handrem op en kust zijn geliefde niet om zo de verleiding te weerstaan haar te bijten.
Geen frivoliteiten
Eggers heeft in de aanloop naar Nosferatu allerlei relativerende opmerkingen geplaatst: ja, ik weet dat wat ik nu doe, grenst aan hoogmoed, maar de kans deed zich voor om dit project te doen. En hij voegde eraan toe: ik ben een groot liefhebber van Werner Herzog, vooral ook van zijn Kasper Hauser-film (1974) en van Herz aus Glas (1976), maar ik denk dat hij mijn Nosferatu-film zal haten. Misschien maar beter ook, aldus Eggers zelf.
Vorige week schreef ik over L’empire van Dumont als een zotte variant op Star Wars, maar die versie was doelbewust potsierlijk. Eggers, daarentegen, brengt zijn remake met een stalen ernst, en dat schuurt soms op het randje van onbedoeld potsierlijk, mede door dat wat plechtstatige taalgebruik, vooral van vampierjager Von Franz. Het is duidelijk dat Eggers zich moeite heeft getroost om prachtige beelden te schieten; het is technisch allermaal zeer competent. En de schrikeffecten worden gedoseerd gebracht. Maar Eggers is zich er zo van bewust dat hij van heiligschennis beschuldigd zou kunnen worden dat hij zich geen frivoliteit veroorlooft en met deze nieuwe Nosferatu al het bloed uit Murnau’s film lijkt te willen zuigen om zelf te kunnen bestaan.
Juist omdat Eggers’ remake zo cinematografisch onberispelijk is dankzij alle technische mogelijkheden en juist omdat de nieuwe versie de ‘geest’ van de oude zwijgende film niet wil afvallen, draait Eggers’ Nosferatu op een wat taaie en klinische onderneming uit. Uiterst knap, een krul van de meester, maar de film verwordt tevens tot zo’n wonderlijk anachronisme dat ik die toch niet in mijn hart zal sluiten. Hoef ik ook niet bang te zijn dat er een houten staak of een ijzeren pin doorheen gespiesd gaat worden.