Ode aan 'lege tijd': Jim Jarmusch
Ik was lichtelijk verbaasd dat Father Mother Sister Brother – te zien vanaf aanstaande donderdag – ‘pas’ de veertiende langspeelfilm is van de Amerikaan Jim Jarmusch. Zolang ik enigszins bewust films kijk, was Jarmusch al een gevestigde naam. Met zijn tweede film Stranger than Paradise katapulteerde hij zich in 1984 naar het centrum van de aandacht en in een door het Nederlandse programma Cinevisie in dat jaar georganiseerde verkiezing van ‘beste regisseur aller tijden’, eindigde hij zowaar op de tweede plek – na Wim Wenders die toen eenieder de ogen uitstak met zijn Paris, Texas.
Als Jarmusch in de jaren zeventig aan Columbia University Engels en Literatuurwetenschap studeert, kan hij in zijn laatste jaar naar Parijs. Van studeren komt weinig terecht, want hij zit voortdurend in de door Henri Langlois gerunde Cinématheque. Hij ziet er Afrikaanse films, Indiase films, Franse en Japanse klassiekers, en begrijpt al snel dat de vertelprincipes van Hollywood allerminst leidend zijn.
Als hij zich inschrijft voor de Film School in New York wordt hij aangenomen ook al kan hij de selectiecommissie alleen maar wat foto’s en teksten voorleggen. Wanneer hij de directeur van de Film School meldt dat hij door geldgebrek zijn studie na twee jaar gaat afbreken, zegt die: Wat zonde, want Nicholas Ray komt vanaf volgend jaar doceren en ik had bedacht dat jij zijn assistent zou moeten zijn. De klik met Ray blijkt zo goed dat hij besluit te blijven en de directeur regelt een beurs voor hem.
Geen diploma
Omdat ze het geld voor die beurs direct op zijn rekening storten, geeft hij de 12.000 dollar gelijk uit aan het maken van een langspeelfilm, Permanent Vacation (1980), opgenomen in tien dagen tijd. Docenten zijn boos, want studenten mogen voor hun afstuderen niet zo’n lange film maken en Jarmusch krijgt ook geen diploma. Dan word ik maar schrijver of muzikant, denkt Jarmusch, totdat iemand de film naar een filmfestival in Mannheim blijkt te hebben ingestuurd, en hij als gast wordt ingevlogen. Hij krijgt een prijs en het bedrag van tweeduizend dollar komt goed te pas om zijn zes maanden huurachterstand te voldoen.
Bovendien komt een medewerker van de Duitse televisie naar hem toe en biedt hem 12.000 dollar om de film te mogen uitzenden. Als klap op de vuurpijl wordt zijn film uitverkoren voor het Filmfestival Berlijn. Omdat Wim Wenders Lightning over Water (1980) samen met Ray (die nog voor de uitbreng overlijdt) regisseert, heeft hij Jarmusch leren kennen als Ray’s assistent. Als Wenders zodoende Permanent Vacation ziet, schenkt hij Jarmusch via zijn productiemaatschappij Grey City Films voor zo’n 50 minuten aan korrelig, zwart-wit 35mm filmrollen die hij over heeft van Der Stand der Dinge (1982). Jarmusch maakt er een korte, zo’n 30 minuten durende film van, omdat hij meestal volstaat met maar één take, en soms twee takes. Hij is echter onthutst dat Grey City Films vervolgens de negatieven en de rechten opeist van de korte film, die overigens een speciale award wint op het Rotterdam Film Festival in 1982.
Vanuit Duitsland ontvangt Jarmusch subsidie om de film te voltooien, maar dan moet hij eerst de rechten terug zien te krijgen van Grey City. Dat lukt dankzij een lening van Paul Bartel, die op dat moment furore maakt met zijn uiterst dwarse zwarte komedie Eating Raoul (1982). Jarmusch vult de korte film aan tot het in drie delen opgeknipte Stranger than Paradise dat uit statische shots bestaat met af en toe bescheiden camerabewegingen. De film wordt gedraaid met groothoeklenzen, zodat voor- en achtergronden scherp zijn. Na elke shot zien we zo’n twee seconden zwart. Deze minimalistische film met zijn passieve personages laat zich bekijken zoals je door een fotoalbum bladert, stelde criticus Peter van Bueren indertijd. Met Stranger than Paradise verwerft Jarmusch zich een prominente plek in de hoek van de onafhankelijke cineasten – als navolger van de pionierende independent filmmaker John Cassavetes (1929-1989). Die onafhankelijkheid claimt hij ook daadwerkelijk: na het geschil met Grey City Films zal Jarmusch er altijd voor zorgen dat hij zelf al(le negatieven van) zijn films bezit.
Geen ‘sunshine state’
Ook al draait Jarmusch zijn Stranger than Paradise op drie uiteenlopende locaties – New York; Cleveland; Florida – de ruimtes zijn nooit als zodanig herkenbaar. Zijn landschappen zijn bij voorkeur onbepaald. Florida is allesbehalve de ‘sunshine state’ in de film van Jarmusch: we zien treurige autowegen en als de personages op het strand zijn, worden ze bijna weggeblazen. Als hij Ghost Dog in New York draait, dekt hij zorgvuldig af wat kijkers de indruk zou kunnen geven dat het zich in New York afspeelt.
Een wezenlijk handelsmerk van zijn oeuvre is zijn nadruk op ‘lege tijd’. Een conventionele film is afgestemd op de voortgang van de plot. Hoe vaak zien we niet dat personages een taxi nemen en dan vlak daarop op de plaats van bestemming aankomen? Jarmusch bedacht zich: maar wat als ik een film maak die alleen uit vijf taxiritten van ieder zo’n 25 minuten bestaan. De interacties tussen chauffeur en passagier(s) als zodanig vormen het geheel van de film. Elke episode in zijn Night on Earth (1991) eindigt als de passagiers net zijn uitgestapt – behalve de Romeinse priester die aan een hartstilstand overlijdt.
Als Jarmusch genrebewerkingen maakt (van de vampierfilm in Only Lovers Left Alive of van de western in Dead Man), legt hij steeds andere accenten dan gebruikelijk. Hij neigt ertoe om bekende tropen te negeren, en in zijn ‘gevangenisfilm’ Down by Law (1986) past hij het principe van weglating rigoureus toe. Drie gevangen in één cel doden de tijd met kaartspelletjes en ander vertier. Zegt de Italiaan in gebrekkig Engels tegen zijn celgenoten dat hij een film heeft gezien waarin gevangenen … hij kan niet op het woord komen. ‘Ontsnappen.’ ‘Ja, ontsnappen.’ Hij weet wel een manier, zegt hij. Vlak daarop zien we na twee seconden zwart het drietal door een ondergronds gangenstelsel rennen, een bungelend touw op de achtergrond, en vervolgt de film met hun wedervaren buiten de cel. Er gaan al zo veel films over minutieuze voorbereidingen voor een ontsnapping – Le trou; Papillon; Escape from Alcatraz – dan kunnen we die hele uitbraak net zo goed overslaan, zo suggereert Down by Law in de eerste van vijf films die de Nederlandse cameraman Robby Müller voor Jarmusch zou draaien.
De weg van de samoerai
Op zondag 19 april vertoont LUX Rewind Broken Flowers (2005), een film waarover Chris Buur in Filmkrant indertijd schreef dat het minimalistische acteren van Bill Murray zich niet zo goed verdraagt met Jarmusch’ werkwijze, omdat diens ‘gortdroge stijl’ gedijt bij onbeholpen personages die iets stuurloos hebben. Murray oogt echter te zelfverzekerd in het acteren met uitgestreken gelaat. Broken Flowers pakt om die reden te lijzig uit en haalt het niet bij mijn favoriete Jarmusch: Ghost Dog: The Way of the Samurai (1999), met Müller als cinematograaf.
Volgens de regisseur is het een ‘samurai-gangster-hip-hop-Eastern-Western’. Ghost Dog woont op een dak en communiceert met zijn opdrachtgever Louie via postduiven. Toen hij jong was, heeft Louie hem van een zware mishandeling gered, en volgens de ouderwetse, ridderlijke codes van de samoerai staat Ghost Dog als ‘vazal’ voor altijd bij hem in het krijt. Alle huurmoorden die hij voor Louie pleegt, werkt hij voorbeeldig af, maar bij zijn laatste klus is hij per abuis gezien door de dochter van de grote maffiabaas. Men wil van Louie dat deze onthult wie de mysterieuze moordenaar is, zodat de maffia hem kan uitschakelen. Maar Ghost Dog is te gewiekst voor de niet al te snuggere gangsters, waarna hij zich overgeeft aan Louie als teken van trouw aan zijn ‘baas’.
Deze plot wordt gelardeerd met een scala aan invloeden: van cartoons die steeds een aanstaande moord voorspellen, van intertekstuele verwijzingen naar onder meer Le Samourai (Jean-Pierre Melville, 1967), Point Blank (John Boorman, 1967) en een imitatie van een gootsteenmoord uit Branded to Kill (Seijun Suzuki, 1967), van de geweldige muziek van RZA, van literaire teksten als Frankenstein, Rashomon, Don Quichot en Hagakure. Als het meisje Pearline tot Ghost Dog zegt dat deze geen vrienden heeft, wijst hij op de ijsverkoper. Aangezien Ghost Dog enkel Engels spreekt en de verkoper alleen maar Frans is hun warme band het droogkomische bewijs dat vriendschap niet aan taal gebonden is. En vaak zeggen ze precies hetzelfde zonder dat ze het in de gaten hebben.
‘Bob is my uncle’
Jarmusch’ nieuwste film Father Mother Sister Brother, winnaar van de Gouden Leeuw in Venetië, bestaat uit drie miniatuurverhalen. In ‘Father’ zoeken een broer en zus na lange tijd hun pa op. Hij woont in een ver afgelegen en verslonsd onderkomen. Zijn rommelige woning weerspiegelt voor zijn kinderen dat hij met het leven worstelt. Maar deze vertelling heeft zowaar een twist die de andere twee verhalen niet hebben. De verschillende episodes – in respectievelijk Amerika, Dublin en Parijs – hebben een aantal overeenkomsten: er worden onbeduidende gesprekjes gevoerd; we horen steeds het zinnetje ‘Bob (of Robert) is my uncle’ (klaar is Kees / Cornelis); het gaat steeds om de puurheid van water (ook als medicijn); in elk deel zien we skaters voorbijkomen; er is steeds een verwijzing naar Rolex-horloges (die zijn echt, namaak of kapot); en we zien veel topshots van tafels (met gebakjes, met koffie, met glazen water).
En als bonus zien we in het derde deel de inmiddels 81-jarige actrice Françoise Lebrun in een kleine rol, ster uit de tijd dat Jarmusch de Parijse Cinématheque frequenteerde.