De gijzeling van het Valkhof
Boekje over teloorgang donjon-plannen
In de afgelopen decennia overheerste een relatief kleine groep doorzetters of drammers, net van welke kant je het bekijkt, het debat over één van de meest opvallende en geliefde plekken van onze stad. Over hoe het allerlaatste staartje van hun streven stierf in onhaalbare plannen en onvermogen tot samenwerken is nu geboekstaaft in een nogal partijdig boek: De Donjon (n)ooit weer gebouwd Nijmegen.
Auteur Vincent Cantrijn geeft de insteek van zijn boekje al met de titel vrij. De brochure (127 pagina’s, inclusief aanhangsels) wil een journalistieke geschiedschrijving zijn van hoe plannenmakerij voor de bouw van een toren, ‘De Donjon’, in het Valkhofpark uiteindelijk sneuvelde. Woordspelingen in titels, daar moet je mee oppassen. En haakjes in titels zijn zelden een goed idee. Grammaticaal goed Nederlands leest de kop alleen als ‘Ooit weer gebouwd’, ‘Nooit weer gebouwd’ is geen Nederlands. In beide gevallen is de toevoeging ‘Nijmegen’ taalkundig niet begrijpbaar. Cantrijn is dus voorstander van de bouw van ‘De Donjon’. Critici wijzen er dan meteen op dat de toren die gewenst werd niet ‘weer’ gebouwd zou worden in de zin van ‘teruggebouwd’, want de originele stenen en balken zijn weg en niemand weet ook hoe de toren die in 1796 werd afgebroken er precies heeft uitgezien.
Romantische neogotiek
Cantrijn fabuleert over een stad die altijd naar het terugbouwen van een toren in het Valkhofpark verlangd zou hebben. Hij voert er een architect voor op, Charles Estourgie, die in 1935 met enige kracht de bouw van een complete burcht op de plek van het Valkhofpark bepleitte. Let wel: op het hoogtepunt van de Rooms Katholieke renaissance waarin de toonaangevende bouwstijl, onder aanvoering van Pierre Cuypers, de romantische neogotiek was, een terugkeer naar de bouwstijl van de Middeleeuwen. Dat een bouwkundig heethoofd in die tijd de glorie van het Heilige Roomse Rijk wil laten herleven is niet zo vreemd maar zegt weinig over het verdere sentiment in de stad.
Compleet stadskasteel
Cantrijn trekt een handig lijntje van daar naar het heden, via een stadsraadpleging in de tachtiger jaren van de vorige eeuw, waar voor- en tegenstanders elkaar in stand hielden en van daar naar het stadsreferendum in de negentiger jaren waarin een meerderheid van de Nijmegenaren, vóór de bouw van de toren stemde, zij het onder voorwaarden (waarover zo dadelijk meer).
In zijn boekje neemt de auteur zo goed als geen ruimte om uit te leggen dat het tot diep in de jaren tachtig steeds om de bouw van een compleet kasteel is gegaan: het Valkhofpark moest er compleet voor op de schop, er moest een hotel in komen of een congrescentrum of een gemeentehuis… niemand die het wist. Maar in De Gelderlander verscheen de éne na de andere spectaculaire tekening van hoe mooi het er wel niet uit zou komen te zien. Over de rol van De Gelderlander in deze slepende zaak geen woord in het boekje, terwijl de stadsredactie van die krant toch steeds meer partij trok vóór alle herbouwplannen.
Geen schip van bijleg.
Wat betreft die voorwaarden: de Nijmegenaren konden zich tégen de bouw van de donjon uitspreken, of er vóór, waarbij (de voorwaarden) die bouw A: de gemeenschap geen geld zou kosten, B: zoveel mogelijk met authentieke materialen zou gebeuren en C: de toren openbaar toegankelijk moest worden voor een breed publiek. Cantrijn beschrijft deze voorwaarden, ergens in de verhitte debatten verzonnen door raadslid Hans van Hooft jr. (SP), als hinderpalen in de latere uitvoering. Maar het lijkt me dat het voorstel het, zonder die voorwaarden, helemáál nooit gehaald zou hebben.
Iedereen die iets van de aannemerij weet, ziet immers in dat, als je geen voorwaarden aan de uitvoering stelt, er in het proces steeds meer aan de knoppen zal worden gedraaid en een voorgespiegeld historiserend gebouw uiteindelijk op een betonnen blokkendoos gaat lijken. En wie even nadenkt over een toren van het soort afmetingen dat de initiatiefnemers voor ogen staat, begrijpt dat de exploitatie ervan eeuwig een schip van bijleg wordt: te weinig vierkante meters om genoeg winst op te draaien om uit de kosten te komen. Tenzij, zie voorwaarde drie, je er een speeltje voor de rijken van maakt, iets superexlusiefs. Naast de vraag of je daar dan wel de klandizie voor krijgt: er zou dan een voor gewone mensen ontoegankelijke protstoren op een voorheen publieke plek staan.
Esthetische en principiële bezwaren
De voorwaarden, kortom, namen bijna alle voorbehouden van de tegenstanders weg. Alleen wie het hele idee uit esthetische of principiële redenen afwees - in het boek wordt niet ingegaan op de principieel esthetische tegenstanders en één keer wordt het principiële punt, dat de burcht in de Franse tijd met revolutionair elan is afgebroken in een sfeer van gelijkheid, vrijheid en broederschap als daad tegen de oude machtsstructuren, geringschattend genoemd. Wie zich zorgen maakte over de uitvoering, de financiering en de toegankelijkheid kon in het referendum dus zonder bezwaar vóór stemmen.
Geen samenwerking
De bijna drie decennia die volgden beschrijft Cantrijn vooral als een enthousiaste club bevlogenen die doorlopend worden tegengewerkt door een kleilaag van onwil, onvermogen en politiek gekrakeel. Maar uit het boekje zelf spreekt een heel andere kant. Er is overduidelijk sprake, ook deels toegegeven, van een gebrek aan vermogen tot samenwerken en pacificeren. Zo wordt van het begin af aan de Dag van het Levenslied en de Valkhofaffaire als een vijand van de bouw van de toren gezien. Terwijl mij in al die tijd (ja, ja, ik heb het allemaal meegemaakt) nooit duidelijk is geworden waarom die partijen elkaar eigenlijk in de weg zaten. Die toren zou toch prima faciliteiten kunnen bieden aan die festivals?
Historische grond omwoelen
Wie de traditionele bouw kent - en achter de donjon-plannen zitten een aantal bouwpartijen, aan wie ik welwillend enthousiasme en zelfs idealisme overigens niet wil ontzeggen - herkent de manier waarop geprobeerd is de wil door te zetten. Het ‘plotseling’ tijdens het 2000 jarig bestaan van Nijmegen op het Valkhof verschijnen van een donjon van steigerpijpen herkent Cantrijn niet als het patserige machtsvertoon van vastgoedmensen die de stad wel eens even zullen overdonderen. En dat bestuursleden achteraf stellen dat ze veel eerder de kosten en moeite hadden moeten incalculeren van een bodemhistorisch onderzoek is ten hemel schreiend: je wilt gaan bouwen op historische grond, dan zou je die grond zomaar kunnen gaan verplaatsen en omwoelen zonder onderzoek? Er is allemaal veel te makkelijk en te ‘macherig’ over gedacht. En de exploitatieplannen zijn nooit uitgewerkt tot iets dat je serieus zou kunnen nemen.
Tijd voor een konijn?
Cantrijn omschijft de processen rond de toren als iets dat ooit nog zou kunnen worden teruggedraaid. Ik mag hopen van niet. Hij schampert over de revitalisering van het Valkhofpark dat maar niet ter hand is genomen. Volgens mij ligt het wat anders: de afgelopen kleine eeuw is er één partij geweest die één idee heeft nagejaagd, zij het in steeds kleinere omvang, van de bouw van een compleet stadskasteel tot één toren. Al die tijd, bij al dat gekrakeel is er nooit energie en fantasie geweest om eens helemaal opnieuw te bedenken wat we met Hunnepark, Kelfkensbos en Valkhofpark willen. Met daartussen nog Museum Het Valkhof. Want voor hetzelfde geld maak je er één doorlopend natuurpark van, met één of meerdere eigentijdse gebouwen ten algemeen nut. Wie weet met referenties aan de Romeinse tijd, of, nog iets diepzinniger, aan de mensen in al die duizenden jaren die op die heuvel klommen en onder zich de rivier zagen. Of de dieren die dat deden. Zoals het 11 meter hoge houten konijn dat kunstenaar Florentijn Hofman in 2017 tijdelijk mocht neerzetten. Misschien komt dan nu eindelijk de ruimte om de verbeelding te laten spelen op onze stadsbergen.
Getagd onder
-
Waarte koop bij boekhandel Dekker & van de Vegt