Theaterlezing Smelt - Beetje bij beetje verder alsjeblieft!
In mijn geheugen ligt kersvers de openhartige voorstelling Smelt, over Ernst Daniel Smids door Parkinson aftakelende lijf. De gevierde operazanger, die zichzelf speelt, krijgt tegenspel van de nog jonge Roán ten Cate. De flyer vertelt dat de acteurs een voorstelling lang met hun leven, identiteit en carrière zullen worstelen, ‘… de een aan de voet van de Olympus, de ander aan de andere kant van de berg, na er na een glorieuze beklimming keihard te zijn afgedonderd’. De vraag ‘vanwaar al die moeite?’ ligt nadrukkelijk op tafel, en ook ‘wat is succes eigenlijk, behalve een tussenstation tussen (…) as en as?’ Je weet wel: uitgestrooid of in een urn.
Zei ik kersvers? Inderdaad, het is nog geen drie uur geleden dat ik de Thiemeloods ontroerd verliet nu ik dit schrijf, maar de vaak treffende uitspraken, die het absolutisme van maakbaarheid onderuit schoffelen en die ik zo graag had willen neerpennen, ben ik alweer kwijt. Wat wil je ook: door de overgang vermalen, met een sloot chemokuren achter de rug en de 60 gepasseerd; voor mij evenmin zal de sky ooit nog de limit zijn. Hoewel ik hardnekkig in laatbloeierschap geloof – want wát als je die Olympus van Smid en ten Cate zelfs nooit van dichtbij bekeek? Maar goed, je zult het moeten doen met mijn sentimenten en hang om als regisseur na te neuzelen. Die twee doen het nog als een tierelier.
Het verhaal? Een jonge acteur doet vol bravoure auditie voor een belangrijke rol en schuurt meteen aan Smids humeur met grollen over het fenomeen musical, die hij de dubieuze reden toebedeelt dat theater nog steeds zou bestaan, ‘haha’. Smid incasseert afgemat en met een gezicht dat boekdelen spreekt; bitter of met droge opmerkingen, maar ook emotioneel en zeker met de verzuurde alwetendheid van iemand die er als een stekker van baalt dat zijn glansrijke, viriele, joyeuze sterrenleven voorbij is. Meer behoefte heeft hij aan iemand die hem helpt een brief te schrijven aan zijn zoon, tegen wie hij nog niet heeft kunnen/willen zeggen dat-ie van hem hield, net zomin als Smid zich door zijn vader gewaardeerd wist om wie hij was – of beter: wie hij wérd? Een heen en weer gesprek over vergankelijkheid en het er tegenstribbelen ontstaat, met uitstapjes naar een kleine bewegingssequentie van Smids trillende handen, voorzichtig aangezette zang en scènes als ‘hoe laat ik mijn beste kunnen zien?’ Dit laatste vanuit de vergane glorie die iemand als Smid rest en met het beleefde, maar ongeduldige talent van de jonge Ten Cate, net klaar met de toneelschool. Soms stapt hij uit het gesprek en spreekt het publiek aan, terwijl hij wikt en weegt over hoe je die wíe wordt, die straks weer tot as vergaat.
Spagaat
Schiet me toch vaag een uitspraak te binnen. Bij gebrek aan helderheid parafraseer ik hem: ‘Je bént niet je ziekte, maar je bent evenmin je stem!’ Bedoeld is natuurlijk Smids prachtige zangstem, waarmee niet alleen hij zich identificeert, maar ook zijn publiek. En die als de ingekorte versie van zijn oorspronkelijke kunnen onze herinnering eraan overschrijft, of probeert te overschrijven. Want kijk, dit is precies de spagaat waarin de mensheid terechtkomt, wanneer die niet meer in staat is te zijn wie hij wil zijn: we willen niet aan ons verlies. Is de eerste helft van de uitspraak (dat je niet je ziekte bént) troostvol, zou je, door de tweede helft net zo hard verpletterd, de stekker eruit kunnen trekken … tenzij je succes kunt laten voor wat het waard is: ijdel en betrekkelijk. Dat zou een enorme opluchting zijn, echt, tot op de schouw die urn ineens in zicht komt, door de koude hand van een enge ziekte onredelijk vroeg erop geplempt en ongeduldig wachtend op jouw as.
Hartverscheurende thematiek dus in dit juweel, die toch lichtvoetig gebracht wordt met goed getimede weerwoorden (Smid) en dat blije hoofd van Ten Cate. Op de sympathieke, opgeluchte lach van het publiek kun je dus wachten. Ik lach mee, maar vind het eigenlijk ruis. Van mij hoeft die luchtigheid niet; ik wil het onderste uit de kan. Op de momenten van Smids onverbiddelijk zichtbare gebrekkigheid (hij gaat bijvoorbeeld in dialoog met Ten Cate sneller zitten, niet om spelmatig te incasseren, maar omdat zijn lijf dat eist) dan pas zit de voorstelling precies daar waar die over gaat: dat dat lijf wegsmelt, maar er wel staat in zijn naakte waarheid.
Smelt verder!
De voorstelling hier in de Thiemeloods is dan ook in de vorm van een theatrale lezing en niet, zoals in de uitgepakte vorm die ik op de site van theatergezelschap Pelgrim Maakt terugzie, met livemuziek, dans en een spiegelwand achter de spelers, waarin ik me als publiek zou hebben kunnen herkennen als een lotgenote (motto: dood gaan we allemaal). Met andere woorden: Smelt zelf is óók aan het smelten. Omdat Smid in de loop van de tijd ingeleverd heeft, is er voor de sobere versie gekozen.
Ik ben met die versoberde versie heel blij, sterker nog: van mij mag het nog meer. Weg met de kwinkslagen: Smids mimiek en stemresonantie vertellen mij al zo veel. Nee, niemand hoeft mij te pleasen of qua stemming in balans te houden. Weg dus met dat commentaar op de grootsheid van de opera in de vorm van een zang-act die Ten Cate in een soort muppetkostuum brengt; het is ballast in de ijdele tijd die ons nog rest. Breng mij naar de essentie, die prangende vraag waarvoor we in godsnaam al die moeite doen. Want ook ik heb werkelijk geen idee. Ik zou het verdomd graag willen weten en de tijd tikt door. Smelt alsjeblieft beetje bij beetje verder.