The Zone of Interest – een tweede bezoek aan de familie Höss
Het was ergens onvermijdelijk dat Jonathan Glazers The Zone of Interest niet alleen de Oscar voor Beste Geluid, maar ook die voor Beste Internationale Film zou winnen. En ondanks mijn eerdere kritiek is het de makers gegund, want de film is al met al gedurfder en spraakmakender dan de overige nominaties.
Film onttrekt zich aan de wetten van een speelfilm
Vanwege zijn controversiële onderwerp heeft The Zone of Interest velen geprikkeld om zich er een mening over te vormen. De film belicht het alledaagse leven van het gezin van commandant Rudolf Höss dat tijdens de Tweede Wereldoorlog naast kamp Auschwitz woont. Aangezien de camera nooit over de muur van het kamp komt, maakt de film de massamoord op de joden enkel hoorbaar, en het is te prijzen dat Glazer zo voorkomt dat hij de Holocaust esthetiseert. Mijn eerdere kritiek kwam erop neer dat Glazers speelfilm zich aan de wetten van een speelfilm onttrekt – ik vond de film vooral conceptueel van aard, zoals dat gebruikelijk is bij video-installaties in musea. Overigens is het in dat licht bezien best bijzonder dat The Zone of Interest zoveel bezoekers naar de filmtheaters trekt, want video-installaties gelden als taaier dan speelfilms. Bovendien, wie eerdere columns van mijn hand heeft gelezen, zou vermoeden dat ik juist films aanbeveel die van reguliere vertelconventies durven af te wijken. Dus waarom omarm ik The Zone of Interest dan niet even hartelijk als Radu Judes Do Not Expect Too Much from the End of the World, zie het stuk van vorige week?

Kijkhouding stationair
Mijn hoofdbezwaar tegen Glazers project (The Zone of Interest) betreft nog steeds de kijkerspositie. Bij Judes film (Do Not Expect Too Much …) word je als kijker door elkaar geschud. Voortdurend neemt de film een onverwachte afslag en slaat een andere toon aan, waardoor je als kijker steeds opnieuw je gps moet afstellen. Bij The Zone of Interest met kampcommandant Rudolf Höss als heer des huizes was mijn kijkhouding stationair: had ik andere opties dan neerkijken op de hoofdpersonages? Is het interessant om te kijken naar personages met wie je geen affiniteit hebt of wilt hebben?
Kijker moreel superieur
Ondersteuning van dit punt vond ik in interviews met Sandra Hüller, die stelde dat zij Hedwig Höss alleen wilde spelen als ze elke emotionele verbondenheid met haar personage mocht uitbannen. Ze wilde haar geen liefde, geen schoonheid of elegantie meegeven, zo zei ze op bezoek in Rotterdam tijdens het IFFR. Glazer koos ervoor om overal in en rondom het huis camera’s op te stellen waardoor de film naar eigen zeggen ‘Big Brother in een nazi-huis’ werd. Met zijn bewakingscamerashots oogt The Zone of Interest daardoor moedwillig kil. Doorgaans zijn close-ups het middel bij uitstek om identificatie met personages te bewerkstelligen, en door het achterwege laten van close-ups in Glazers film – als we de nabij-opnames van de prachtige bloemen in Hedwigs tuin niet meerekenen – wordt er een kloof gecreëerd tussen kijker en personages. De kijker kan zich de hele film lang moreel superieur wanen aan het gezin-Höss. The Zone of Interest heeft de zeer reguliere speelfilmlengte van 105 minuten, maar, zo schreef Tobi Lakmaker in zijn column in de Volkskrant, dat is ‘een uur langer dan had gehoeven’.
Gejeremieer over idyllische woonplek
Mijn standpunt staat daarmee haaks op de kijkervaring die Wilco Versteeg beschrijft in zijn ‘open brief’ aan regisseur Glazer, gepubliceerd in het Vlaamse kunsttijdschrift Rekto:verso. Volgens Versteeg stelt de film de individualiteit van daders en betrokkenen centraal. De kijker voelt met Hedwig mee, aldus Versteeg, als zij te horen krijgt dat ze de door haar gecultiveerde paradijselijke tuin misschien moet verlaten vanwege de overplaatsing van haar man. Versteeg betoogt dat daarmee zijn eigen kijkethiek wordt besmet, omdat het een speelfilm eigen is om empathie te kweken voor ‘eender welk hoofdpersonage’, hoe kwaadaardig ook. Hoewel hij er expliciet aan toevoegt dat dit zijn ervaring was, werkte de bewuste scène bij mij omgekeerd: ik vond Hedwig met haar gejeremieer over een eventueel verlies van haar ‘idyllische’ woonplek alleen nog maar bespottelijker.

Doffe vonk menselijkheid
In zijn ‘open brief’ memoreert Versteeg, terecht, dat er schaarse momenten zijn waarop de kijker ‘respijt krijgt’. Dat zijn de momenten waarop het reguliere gezinsportret onderbroken wordt. Vader Rudolf krijgt tegen het einde braakneigingen na een bijeenkomst met andere commandanten. We zien kortstondig hedendaagse beelden waarin schoonmakers het (toeristische) monument Auschwitz zorgvuldig reinigen, maar Versteeg doelt vooral op de met een warmtecamera opgenomen beelden van een meisje dat ’s nachts appels op het terrein van het werkkamp legt. Deze beelden die niet fotografisch zijn en geen licht laten zien, maar een representatie van warmte en kou, ‘tonen een doffe vonk menselijkheid in een verrot universum’.
Verstikkender of subversiever?
Hoewel ik instem met Versteegs constatering, roept zijn analyse de vraag op: Maar wat nu als Glazer die minieme vonkjes van menselijkheid helemaal had uitgebannen? Op die schaarse momenten waarop de kijker ‘respijt krijgt’, kan de kijker een reflexieve afstand nemen tot het gezin Höss. Even weg bij die lompe Hedwig die niet terugdeinst voor een botte opmerking als het personeel in haar ogen nalatig is. Even weg bij Rudolf, die zich wel bekommert om decoratieve seringenstruiken in zijn kamp, maar nooit om de tewerkgestelde joden. De schaarse momenten die tot reflectie aanzetten geven The Zone of Interest de allure van een artistieke speelfilm, maar was de film misschien niet verstikkender of zelfs subversiever geweest als we de hele tijd bij de familie Höss waren gebleven?
Groter schokeffect door langere versie?
Ik citeerde net Lakmaker dat de film een uur te lang duurt, maar je kunt ook stellen dat de film een paar uur te kort duurt. Mijn ‘probleem’ met Glazers film is dat de kijker gedurende de 105 minuten moreel superieur is aan de hoofdpersonages en die schaarse momenten die afwijken van het gezinsportret versterken die superioriteit. Maar wat nu als de film uitsluitend een gezinsportret zou zijn, zonder onderbrekingen, en dan twee of, liever nog, drie keer zo lang? Wordt de kijker dan niet zo afgemat dat die superioriteit omslaat in onverschilligheid? We ‘kijken’ dan niet langer vol aandacht naar een speelfilm, maar we ondergaan die, met als mogelijk gevolg dat The Zone of Interest een uitputtingsslag zou worden die bij de kijker een schouderophalende reactie ontlokt. Juist dan, zo luidt mijn gedachte-experiment, zou The Zone of Interest ons in een val lokken: allemachtig, zonder dat wij het ons zouden realiseren vanwege de tergende saaiheid van de film, zou onze aanvankelijk reflexieve kijkhouding zijn omgeslagen in een houding die identiek is aan de onverschillige mentaliteit van de Höss familie. Zodra de kijker eenmaal beseft dat die enkel nog apathisch reageert op zo’n te lange versie van The Zone of Interest, zou die dan niet een veel groter schokeffect teweeg brengen? Bij mij wel, schat ik.

Niet lamlendig genoeg
Versteeg stelde in zijn ‘open brief’ dat wij ons als kijker in de positie van een gemiddelde burger uit 1943 bevinden, ‘voor wie de Shoah een achtergrondgeluid was’. Maar de kijker van The Zone of Interest is behept met een ander historisch besef over Auschwitz dan die burger toen. Timo van Daal – oud-stagiair bij LUX en nu filmstudent – wees me op het belang van de high-definition digitale beelden die expres nergens verouderde decors laten zien. Daarmee wordt dat verschrikkelijke gezin uit het verleden naar ons heden getrokken. Hun onverschilligheid toen kan zo maar onze onverschilligheid van vandaag de dag worden of zelfs al zijn. Mijn punt: dat effect zou sterker geweest zijn als de kijker geen enkel respijt had gekregen, maar van begin tot eind in die nare Höss-bubbel zou zijn opgesloten. The Zone of Interest zou dan het equivalent zijn van iemand die je verplicht zijn honderden vakantiefoto’s te bekijken. De lamlendigheid slaat na verloop van tijd onvermijdelijk toe, maar een ‘probleem’ met The Zone of Interest, met zijn ‘normale’ speelfilmlengte, is dat die de kijker niet lamlendig genoeg maakt.
Twee tegengestelde zienswijzen
Volgens mijn ene betoog is Glazers film eerder een video-installatie dan een speelfilm, en duurt die te lang. Volgens mijn andere betoog duurt die te kort om de kijker daadwerkelijk te confronteren met onverschilligheid. Als Glazers ‘speelfilm’ ondanks deze bezwaren twee Oscars mag incasseren, is dat omdat The Zone of Interest twee tegengestelde zienswijzen oproept. Ook dat kan een verdienste van een film zijn.