Terug naar hoofdinhoud

Het geluid van stroom - Nog één keer genieten van kolenkolos

| Nora van Dam | Theater
Het geluid van stroom - Nog één keer genieten van kolenkolos
Foto: Willem Melssen

Nooit gedacht dat ik in deze tijd van duurzaamheid sentimenteel zou worden van een stilgelegde energiecentrale, de voormalige Electrabel. Toch lukt het muziektheatergezelschap BOT, in samenwerking met Productiehuis Oost Nederland (ON), mij weemoedig onder de groots ratelende rolluiken door naar buiten te loodsen.

Dit na een uur te zijn rondgeleid en te hebben gedoold door flauw-grijs betegelde ruimtes, langs hoge wanden met potmeters en bakelieten schakelaars, onder leidingen, kabels en afzuigbuizen door en, als kers op de slagroomtaart, langs de immense gietijzeren kolenmolens. Analoog en soms digitaal geluid leidt het publiek rond, geluid en zang, telkens door een viertal in veiligheidskleding verpakte ‘werkmannen’ aangezwengeld.

Wie is BOT en wat maken ze?

Job van Gorkum, Tomas Postema, Doan Hendriks en Geert Jonkers begonnen in 2009 op Oerol. Ze maken muziektheatervoorstellingen op locatie en bouwen hun instrumenten zelf – of beter gezegd: ze halen geluid uit de locatie, maken er vervolgens instrumenten van en daar weer muziek mee. De samenwerking met ON leverde een serie unieke locatievoorstellingen op die geïnspireerd zijn op industrieel erfgoed. De voorstelling in de Electrabel heeft wel wat weg van een viering: werkrituelen met een theatraal-muzikale inhoud, het publiek dat stil en onder indruk meeleeft. 
Die viering heeft overigens niet iets al te plechtigs. Dat zit 'm in de no-nonsens aanpak van deze vier spelers in een regie van Carina de Wit. Mannen in werkpakken spelen ze, kerels die de tent draaiend moeten houden. De kolos moet immers stroom produceren. En gelukkig, die komt er ook, soms knisperend en kletterend, hier en daar loeiend. Wij als publiek staan er middenin en worden zelfs af en toe onderdeel van de hele happening in een soort gezamenlijke voetstap, voorzichtig klinkend van de ene naar de andere werkplek. Heerlijk!

Schommelen tussen vroeger en nu

Dus hoe vertel je industrieel erfgoed? Niets mooier dan het te laten resoneren en het zichtbaar te maken. Soms is dat overduidelijk, zoals bij het samenspel van bungelende metalen gereedschappen. Maar af en toe ben ik het onderscheid tussen spel en energiecentrale kwijt. Waar begint het geluid van de centrale zelf en hoe gaat het in performance over?
Al mijn zintuigen zet ik in om de indrukwekkende ruimte af te tasten. Het grappige is dat ik daardoor een zichtbaar gevoel voor tijd ontwikkel. Niet zozeer omdat er ergens enorme zwarte wijzers over een reusachtige witte schijf tikken, maar omdat een recent verleden met dat werkmannengescharrel telkens ‘aangezet’ wordt, bijna terloops. En het neemt me elke keer ergens anders naartoe. Met wijde schorten over de stevige broeken zien die mannen ons bij het geklus en geredder aanschuiven - hun focus blijft echter op dat merkwaardig werk, namelijk deze centrale nog één keer te laten klinken.
Zo word ik een uur lang in deze stilgelegde reuzenfabriek uitgedaagd om de balans tussen schijn en werkelijkheid op te maken – het effect is dat ik schommel tussen vroeger en nu.

‘Wahoeoe…’

Bijvoorbeeld: op onze stille tocht door de centrale pendelen ineens gekantelde mini-huishoudens doelloos onder onze voeten door, omdat die ‘zwemmen in de tijd’ – zo klinkt een van de liedjes waarmee BOT ons in de oase van klank en ruimte soms iets te illustratief in hun gespeelde werkelijkheid wil betrekken. Maar de verwondering overheerst, wanneer het publiek, als een koor van figuranten en uitgedost met oranje veiligheidshelmpjes, het hoofd neigt om door de looproosters heen de gedateerdheid van die bezongen huishouden te aanschouwen: een liggend elektronisch orgeltje met schemerlamp licht een toetsen bespelend werkmannetje bij en uit een vermoedelijk niet zo duurzame koelkast puilt een ander kereltje. ‘Wahoeoe!’ zingen ze ten slotte alle vier in die zee van door kolenstroom veroorzaakte vrije tijd.

Het ware werk tot het doek valt

Of het nu de droogrekjes zijn, die tegelijkertijd met een zich uitbreidende radio-soundscape in kleine elektriciteitsmasten worden omgebouwd, of de fluit-flapper ordners die klapwiekend, omdat ze geen administratie meer koesteren, boven onze hoofden bungelen; het zijn telkens de werkmannen die de centrale bespelen – en hun ‘product’ is sentimenteel getinte herinnering. Verschil met vorige locatieperformances is, begrijp ik later van een van de spelers, de grotere rol van elektronische muziek, die op deze zinderende stroomplek niet kon ontbreken. Dat komt goed uit bij de finale. Want als we (nog even onder die klapwiekende ordners) onze blik en oren op een hooggeplaatst balkon richten, waar een werkman ons met een lullaby de avond probeert in te soezen (‘Doe het licht maar uit…’), wordt dat ruw gestopt door een opratelend rolluik. Daarachter wacht een strak geordende rij enorme gietijzeren kolenmolens. Imponerend staan ze daar, breed en rondgeslagen met van die bijna vuistdikke klinknagels erin om de platen vast te houden. Langs die molens, helemaal aan het eind, wachten ons twee mannen met een klagend handmolentje op. ‘Zing met me mee,’ vragen ze de andere maten die bij het publiek achteraan lijken te sluiten. Maar eigenlijk is het de opmaat tot het ware geluidswerk dat in diep-lage frequenties opklimt en niet meer loslaat tot de mannen zich ritmisch dreunend het schompes werken, stoffige kooltjes wegschoppend en steeds heftiger in een kolenkarretje bonkend, alles bij elkaar tot het de oren verdooft en… de stroom uitvalt – donker.

Brok – in de jaszak

Ik sta al lang weer buiten bij mijn fiets. In de geïmproviseerde foyer heb ik met rode wangen en verkleumde jatten mijn oranje helmpje ingeleverd. Onderin mijn jaszak grabbelen mijn vingers naar een fietssleuteltje. Het heeft zich verstopt onder een brokje steenkool, dat onder mijn voet was geschoten, waardoor ik bijna uitgleed. Ik heb het in het donker stiekem opgeraapt. Het voelt harder dan ik had verwacht en ik heb de neiging om het thuis in een laatje te leggen, of misschien op de vensterbank, als een ruw souvenir.


Getagd onder