Educatieve insteek: PAAZ versus I Swear
Hebt u ook wel eens dat u naar een integer gemaakte filmhuisspeelfilm gaat met een prima cast en u er ondanks alles een onbevredigend gevoel aan overhoudt? Laatst overkwam me dat weer, dit keer bij PAAZ van Anne de Clercq (sinds 26 februari in de theaters en waarschijnlijk nog maar kort in LUX) en misschien moeten we zulke films maar tot studiemateriaal verheffen, zodat we leren welke keuzes ongelukkig uitpakken. Dat lijkt me nuttig voor zowel docenten en studenten van de Filmacademie als voor het Nederlandse Filmfonds dat een redelijk royale subsidie heeft verleend aan De Clercqs adaptatie van de gelijknamige roman van Myrthe van der Meer. (Tekst bevat spoilers over PAAZ).
PAAZ (afkorting van Psychiatrische Afdeling van een Algemeen Ziekenhuis) gaat over Emma, een jonge redactrice bij een uitgeverij, die lange tijd niet wil – of beter gezegd, niet kan – erkennen dat ze depressief is. Aan het eind, als de film een jaar vooruit schiet in de tijd, krast ze niet langer in het werk van anderen (zoals medepatiënt Boudewijn haar baan omschrijft), maar triomfeert ze met een eigen roman – het eerste manuscript dat volgens ervaren oud-collega Leo foutloos is aangeleverd.
In de proloog zien we Emma in de auto, terwijl ze meezingt met Give It Up van KC & The Sunshine Band. Ze trapt daarna keihard het gaspedaal in en terwijl ik voorbereid was op een ongeluk als in Gegen die Wand (Fatih Akin, 2003) krijgen we de opening credits. We schakelen terug naar een aantal uren eerder, en dan blijkt dat Emma de nacht op haar werk heeft doorgebracht. Ze heeft het manuscript van vermeende sterauteur Marten Polak doorgespit met tal van kritische opmerkingen, terwijl Leo veel coulanter over het pak papier had geoordeeld (ah, ze is behalve een workaholic ook een strenge perfectionist). Tevens is Emma bezig geweest met de feitelijk haar toebedeelde klus over een kippenencyclopedie.
Als ze het kantoor verlaat, zien we het vervolg op de proloog. Het zal blijken dat Emma op het laatste moment op de rem heeft getrapt, waardoor haar auto half op de kade staat voordat die alsnog het water in kiepert. Ze wordt gered, waarna dokter Visser besluit om haar te laten opnemen. Emma is bevreemd: nachtje uitrusten, oké, misschien twee en dan naar huis of op vakantie met haar vriend.
Non-stop in beweging
Er wordt op toegezien dat Emma medicatie inneemt tegen haar slechte nachtrust, en gaandeweg begint er iets te dagen bij Emma, nadat de arts de diagnose heeft gesteld dat ze depressief is. Door non-stop in beweging te zijn, heeft ze haar gevoelsleven afgedekt. Aan de buitenkant is alles perfect. Haar ouders kunnen met hun enig kind pronken; ze heeft een fijne relatie en een goede baan. Als ze later Kim als kamergenote krijgt, die rare acties onderneemt om door haar vader gezien te worden, beseft Emma dat zij juist onzichtbaarheid heeft nagestreefd: nooit wilde zij iemand tot last zijn.
Zodra zij Boudewijn ontmoet, noemt ze hem gelijk ‘irritant’. Boudewijn heeft al eerder op PAAZ gezeten en hij heeft zich altijd de slechte en mislukte zoon gevoeld. Pas toen hij bij het chique hotel-restaurant UP ging werken, werd hij door de familie gewaardeerd. Maar door een woede-uitbarsting tegenover een klagende eter heeft hij zijn baan verloren en zijn ex heeft besloten dat hij zijn zoontje niet meer mag zien. Hij is nu ook een mislukte vader.
Die ‘irritante’ Boudewijn wekt een zekere baldadigheid bij Emma op: ze gaat ’s nachts stiekem met hem tafeltennis spelen, en uiteindelijk ontvluchten ze de PAAZ voor een middag en nacht vol ondeugden met als plan om de volgende dag samen zelfmoord te plegen. Na hun wilde avontuur herziet Emma haar besluit: ze heeft met haar verantwoorde gedrag altijd gedaan alsof ze leeft, maar nu ze uit de band is gesprongen, realiseert ze zich: ‘Ik heb stukjes van mezelf gevonden’.
Andere vorm nodig
Als Boudewijn zich later toch van het leven berooft, schiet Emma van een depressie in de rouw. Wanneer haar moeder tijdens een bezoek zegt: 'Doe toch eens normaal', begrijpt Emma dat de ‘verplichting’ om normaal te doen haar naar adem doet happen. Leven houdt niet in dat je alleen maar binnen de lijntjes kleurt, maar je moet ook daarbuiten kunnen treden. Als ze aan het eind van PAAZ uit haar boek voorleest, dan stelt ze onder meer dat het leven geen handleiding heeft waarmee je jezelf opnieuw in elkaar kunt zetten. En: ‘Ik dacht altijd dat “kapot zijn” betekende dat je nooit meer heel kon worden. Maar dat klopt niet. Kapot zijn betekent alleen dat je een andere vorm nodig hebt.’
PAAZ is vakkundig gemaakt en Gaite Jansen (Emma), Jonas Smulders (Boudewijn) en Laura Bakker (Kim) behoren tot de sterkste acteurs van ons land. Maar als ‘kapot zijn’ betekent dat je een ‘andere vorm’ nodig hebt, waarom is dit psychologische drama dan weer zo geijkt realistisch? Waarom heeft de film, ondanks het zware onderwerp, zo’n veilige ‘lichte’ toets? Die nachtelijke uitspattingen worden quasi-rebels gepresenteerd met als gevolg dat PAAZ in het gareel blijft lopen. Maar als Emma concludeert dat ze minder conventionele keuzes moet durven maken, waarom kiest de film dan zelf voor een conventionele aanpak?
Is het niet zo dat al die nobele bedoelingen van de makers uiteindelijk een obstakel zijn? Willen De Clercq c.s. niet te graag een didactische toon aanslaan? Direct na de film lezen we als tekst: ‘Denk je aan zelfdoding …’ Prima als de makers de kijkers willen instrueren over het verraderlijke van depressie en over het belang van hulpverlening, maar is een speelfilm daartoe wel de meest geëigende vorm?
PAAZ krijgt wat stichtelijks door de drang om in alles begrijpelijk te blijven. Emma spreekt haar ontwikkelingen in op een voice recorder wat als consequentie heeft dat al haar zelfreflecties aan ons worden voorgekauwd. De personages spreken te zeer in thema-zinnen: wij als kijkers hoeven geen slotsommen te trekken, dat doen de personages al voor ons.
Bertolt Brecht maakte leerstukken in de vorm van episch theater met vervreemdingseffecten. PAAZ kun je zien als een leerstuk opgediend als psychologisch realisme. En dat is een vorm die je als een ‘Hollandse speelfilmziekte’ kunt beschouwen. Die kwaal houdt in dat je de kijkers van een speelfilm niet laat gissen naar thema’s, maar dat je ze (te) nadrukkelijk oplepelt voor hen.
Gilles de la Tourette
Ook I Swear van Kirk Jones, vanaf aanstaande donderdag te zien, is gemaakt om begrip te kweken, maar het effect is niettemin anders. In een slottekst dringt de film aan op educatie en op acceptatie van mensen die lijden aan het syndroom van Gilles de la Tourette. I Swear – publieksfavoriet op het IFFR met de ontstellend hoge score van 4,814 (op 5) en een 8,4 op IMDb – belicht het leven van de Schot John Davidson. Het grote voordeel van Tourette boven een depressie is dat de aandoening een enorm tragikomisch potentieel heeft voor een filmmaker.
Dat potentieel wordt al direct in de opening aangeboord als John in 2019 door koningin Elizabeth wordt geridderd voor zijn inzet om de aandoening bekendheid te geven. Hij roept bij binnenkomst ‘F* the Queen’ om zich gelijk daarop te verontschuldigen. John heeft in zekere zin de ‘luxe’ om een deftige ceremonie te verstoren met als excuus dat hij het niet kan helpen dat hij onwelvoeglijk taalgebruik hanteert. Voor een buitenstaander heeft het echter een humoristisch effect wanneer iemand op ongecontroleerde wijze vloekt in de nabijheid van de koningin.
Bij John wordt de aandoening in eerste instantie zichtbaar als hij, in 1983, op de middelbare school zit en tics begint te vertonen. In de scène daarvoor heeft hij te horen gekregen dat een voetbalscout zijn keeperskwaliteiten komt beoordelen. De wedstrijd wordt een fiasco, omdat het schoolhoofd hem voor straf een pijnlijke hand heeft bezorgd. Op diens vraag hoe het schooleten smaakt, had John geantwoord (in dialect) ‘fucking shite’, en hem erwtjes in het gezicht gespuugd. Bij zijn eerste filmafspraakje (naar Tootsie met Dustin Hoffman) roept hij heftige scheldwoorden: hij zit naast een meisje dat hij zelf had uitgenodigd, maar haar bazige moeder is vlakbij hen komen zitten om een oogje in het zeil te houden.
Tolerante personages
Ofschoon Johns aandoening voor de kijker vaak een bron is van komisch-gênante taferelen, hebben zijn verbale oprispingen en zijn losse handen voor John vooral pijnlijke gevolgen. Geregeld wordt hij op rake klappen getrakteerd, omdat zijn standaardweerwoord ‘ik kan het niet helpen’ zelden afdoende is. Als middelbare scholier probeert hij zich zelfs te verdrinken, omdat hij meent dat zijn vader het gezin heeft verlaten om zijn onhandelbaarheid (en net als in PAAZ mislukt de poging tot zelfdoding).
I Swear dankt zijn populaire succes ongetwijfeld aan het feit dat Jones’ film overhelt naar komisch feelgood drama doordat er personages zijn die John meer accepteren dan hij zichzelf accepteert. Typisch genoeg staan die figuren niet aan de kant van het gezag maar zijn het met hun gezondheid kwakkelende burgers. Dottie, de moeder van een vriend, neemt hem in huis en zij wil niet dat hij ooit excuses maakt voor zijn grove taalgebruik. Tommy biedt hem zijn eerste baan aan, en het geduld van zulke tolerante karakters helpt John over de drempel. Als hij een weekend voor lotgenoten organiseert, ontwikkelt hij zich gaandeweg tot een ambassadeur voor mensen met Tourette.
Net als PAAZ heeft I Swear een educatieve insteek, maar die blijft ondergeschikt aan de dosis humor in Jones’ film. In feite wreekt het zich bij PAAZ dat depressie een complexe ziekte is waarbij de symptomen inwendig zijn. De makers beijveren zich zozeer om hun zaak te bepleiten dat de vorm van een speelfilmdrama begint te knellen. Voor zover er sprake van humor is, betreft dat andere patiënten, zoals Johan met zijn dwang om alles te tellen. Omdat Tourette zich uitwendig manifesteert, kan Jones bij I Swear als het ware ‘achterover leunen’. Het is zijn mazzel dat bij dit onderwerp, met zijn combinatie van tragedie en komedie, de speelfilm een vanzelfsprekende vorm is.