Balletachtig geweld: actiehelden bij John Woo
Cinemariënburg, voorganger van LUX, trok in de vroege jaren negentig goedgevulde zalen met Aziatische cinema, met onder meer de Chinese films van Zhang Yimou (Raise the Red Lantern, 1991) en Chen Kaige (Farewell to My Concubine, 1993) en uit Hongkong Chungking Express (1994) van Wong Kar-Wai. Ik kan me echter niet heugen dat de brute actiecinema van John Woo, eveneens uit Hongkong, indertijd op het programma heeft gestaan. Op vrijdag 1 mei en zondag 3 mei wordt het nieuw gerestaureerde Hard-Boiled (1992), Woo’s laatste film voor zijn overstap naar Hollywood in 1993, vertoond in LUX Rewind.
Woo maakt al sinds 1974 langspeelfilms met een gemiddelde van net iets meer dan een per jaar tot aan zijn overstap. Begin jaren negentig had hij zich onder filmliefhebbers een cultstatus verworven, vooral opgebouwd via titels als A Better Tomorrow (1986), The Killer (1989) en A Bullet in the Head (1990). Met Hard-Boiled bestendigde hij die reputatie en mede dankzij het enthousiasme van filmmakers als Quentin Tarantino en Martin Scorsese kreeg hij het aanbod om in Amerika te gaan draaien.
Of Woo’s overstap naar Hollywood een zegetocht is, hangt af van je perspectief. Hij had al snel projecten omhanden, zoals Hard Target (1993) met Jean-Claude Van Damme en Broken Arrow (1996) met John Travolta, maar bemoeienis door de studio’s leidde tot ingrepen waardoor het voor Woo kenmerkende vertoon van overdadig geweld verwaterde. Zijn Amerikaanse periode zal uiteindelijk maar één echt onverdeeld succes kennen: Face/Off (1997) kan de critici bekoren én op een budget van 80 miljoen dollar levert die zo’n 245 miljoen dollar op.
Absurde synopsis
Deze actiefilm is gestructureerd rondom een ridicuul gegeven: een FBI agent (John Travolta) ondergaat plastische chirurgie waarbij hij het gezicht van een terrorist-in-coma krijgt aangemeten in de hoop cruciale informatie over de plek van een bom te achterhalen. Als de terrorist (Nicholas Cage) ontwaakt, neemt die het gezicht van de agent over. De film is beter dan je op basis van deze absurde synopsis zou verwachten.
Dankzij Face/Off wordt Woo uitverkoren om het tweede deel van Mission Impossible (2000) te regisseren en hoewel dit een stevige kaskraker wordt, is de kritiek verdeeld. Nadat er vervolgens ook lauw wordt gereageerd op de films Windtalkers (2002) en Paycheck (2003) zal Woo naar Azië terugkeren en zijn in China opgenomen Red Cliff (2008) en Red Cliff II (2009) worden ‘ouderwets’ gunstig ontvangen. Daarna zal Woo te zeer in formulewerk blijven steken. Zo werd er twee jaar geleden nog een vrije remake van zijn eigen The Killer uitgebracht, dit keer met een vrouwelijke huurmoordenaar (en een rol voor oud-voetballer Éric Cantona), maar critici en fans waren ronduit teleurgesteld.
Woo werd tachtig jaar geleden geboren in een arme wijk, in een omgeving met weinig toekomstperspectief. Hij had geluk dat een Amerikaanse familie bereid was om zijn opleiding te bekostigen op een reformatorische school waar de leer van Maarten Luther (1483-1546) werd aangehangen. Daarna kon hij naar een jezuïtische middelbare school waar het denken van de Braziliaanse missionaris Matteo Ricci (1552-1610) als richtsnoer gold. Ofschoon Woo geen ijverige leerling was en vaak spijbelde om musea, bibliotheken en bioscopen te bezoeken, is hij onuitsprekelijk dankbaar voor de religieuze scholing. Dat hij het slotduel in The Killer situeert in een lege kerk met een opzichtig shot van een Mariabeeld dat in gruzelementen uiteenspat, klinkt wrang, maar moeten we volgens Stephen Teo in zijn studie over Hongkong cinema desondanks als een teken van erkentelijkheid duiden.
Erecode in flamboyante stijl
Woo maakte zijn entree in de filmwereld als assistent van een actiefilmer, maar toen hij eenmaal zelf als regisseur op de credits kwam, koos hij voor films die niet aansloten bij de kungfu mode die door Bruce Lee was ontketend. Hij draaide een remake van een Kantonese operafilm en toonde zijn eerbied voor zwijgende filmkomieken als Buster Keaton en Charlie Chaplin in een aantal komedies. Ook al blijft zijn werk dan nog grotendeels onder de radar, zijn productie blijft gestaag groeien.
Met een remake van opnieuw een Kantonese film, The Story of a Discharged Prisoner (Lung Kong, 1967) wordt Woo met A Better Tomorrow erkend als een nieuw soort actieregisseur. Woo vult de plot van het origineel aan met het Chinese concept van yi, dat teruggrijpt op de ongeschreven regel van ridders die een zwervend bestaan leiden: Je strijdt voor rechtvaardigheid en zweert loyaliteit aan wie jij als je broeder beschouwt. Woo dient deze oude erecode op in een flamboyante stijl. Hij heeft een choreografie laten uitdenken vol ‘balletachtig geweld’, aldus Teo, gelardeerd met slowmotionbeelden van personages die granaten gooien, wapens afvuren of naarstig dekking zoeken.
Het zal tot een handelsmerk van Woo uitgroeien dat het uitbundige geraas ‘gecompenseerd’ wordt door de sierlijke bewegingen van de vechtersbazen: grotesk geweld wordt als een ‘dans’ voorgesteld. In deze paradox van tegelijk bruut en gracieus schemert zijn respect voor de vroege filmkomieken door wier lichamen vaak even stram als flexibel kunnen ogen. Bovendien zien we bij Woo herhaaldelijk dat de hoofdpersonages weliswaar bedreven actiehelden zijn, maar toch ten onder kunnen gaan. Het naleven van de erecode vereist immers dat loyaliteit zover reikt dat je je ook bij een kansloze missie niet kan terugtrekken: zelfopoffering is te verkiezen boven (laffe) overlevingsdrang.
Helft van een tweeling
Als A Better Tomorrow een vervolg krijgt, leidt dat tot een probleem, want de onvervaarde Mark (Chow Yun-fat) is aan het eind overleden. Oplossing: hij blijkt de helft van een eeneiige tweeling. Als de opnames voor deel twee zijn voltooid, blijkt de film na de edit 160 minuten lang. Woo krijgt maximaal een week om de lengte tot minder dan 2 uur terug te brengen. De producent van de film hermonteert de ene helft en Woo de andere helft; pas bij de première ziet Woo voor het eerst A Better Tomorrow II (1987) in zijn geheel. Hij is niet verbaasd dat het resultaat onevenwichtig is.
Samen met Hard-Boiled is The Killer de meest geprezen film van Woo met een 7,7 op IMDb. The Killer dankt die waardering mede aan het feit dat die overduidelijk schatplichtig is aan het werk van de Fransman Jean-Pierre Melville (Le deuxième souffle, 1966: Le samourai, 1967) en aan Mean Streets (Martin Scorsese, 1973). De film heeft opnieuw barokke actie, maar wisselt dat af met contemplatieve momenten. Hoewel Ah Jong nog jong is, voelt hij zich toch al een ‘killer’ van de oude stempel: de wereld is veranderd; de nieuwe gangsters zijn narcistisch en hebben voor niemand respect, laat staan dat ze de waarde van vriendschap nog kennen. ‘Goede mensen worden meestal verkeerd begrepen.’
Als Ah Jong een opdracht uitvoert, raakt de jonge vrouw Jennie blind door zijn toedoen. Uit schuldbesef neemt hij tegen een zeer hoog bedrag een allerlaatste klus aan om een hoornvliestransplantatie voor haar te kunnen betalen. Na de dood van het doelwit stuurt de opdrachtgever huurmoordenaars op Ah Jong af om aan de geldafspraak te ontkomen. Ah Jong weet hen allen te weerstaan maar een kind raakt gewond bij het vuurgevecht, waarna hij zich over het meisje ontfermt. Twee agenten van wie er een, Li, een misstap heeft begaan bij de uitoefening van zijn werk, zijn getuigen van het voorval.
Als Li na de dood van zijn partner op het punt staat Ah Jong te arresteren, raakt hij overtuigd van Ah Jongs goedheid als hij ziet hoezeer Jennie om hem geeft. Omdat gangsters hen op dat moment belagen, smeden Li en Ah Jong een pragmatisch bondgenootschap. Vanaf dan strijdt Li aan de zijde van zijn nieuwbakken kameraad voor het welzijn van Jennie. Bij het vuurgevecht in de kerk is Li zozeer door het dolle dat hij de gangsterbaas neerschiet, nadat deze zich al heeft overgegeven. Terwijl de politie is gekomen om Li te arresteren, zijgt deze ter aarde en mompelt de bijnaam die hij de omgekomen Ah Jong had gegeven: Garnalenhoofd.
Tandenstoker
Hard-Boiled, de bruutste titel uit zijn carrière, is een ongekend explosieve actiefilm, met veel geweld dat aan het cartooneske grenst. In Woo’s vroegere films hadden de slechteriken nog een zeker moreel besef en trokken ze een rode lijn: je voorkomt dat je onschuldige omstanders doodt. In deze film opereren de gangsters echter nietsontziend en opereren agenten navenant. Samen met een collega observeert agent Tequila (Chow Yun-fat) via een spiegeltje in een vogelkooi een groep wapensmokkelaars in een theehuis. Als Tequila een deal wil verijdelen, ontstaat er een gewapend conflict met een spervuur aan kogels.
De strijd loopt op een bloedbad uit waarbij ook diverse bezoekers van het theehuis omkomen. Ook de collega wordt doorzeefd, waarna Tequila een pistool op het hoofd van de schutter zet. Volgens de politieregels moet Tequila de dader als getuige arresteren, maar hij wreekt zich op hem. Het bloed van de gangster spat op het met meel bepoederde gezicht van de agent als deze de trekker overhaalt. In het strijdgewoel blijkt Tequila bovendien een undercoveragent te hebben gedood. We zijn nog geen kwartier van de ruim twee uur onderweg.
Vervolgens moet Tequila op zoek naar een verdachte die een klus heeft geklaard in een bibliotheek met een wapen dat in The Complete Works of Shakespeare was verstopt. Als hij een tijd later deze Ah-long denkt te verrassen, blijkt Tequila zijn laatste kogel verbruikt te hebben. Ah-long spaart hem waarna Tequila vermoedt dat de man een politie-infiltrant is. Ah-long leidt een teruggetrokken bestaan op een boot met door hem gevouwen papieren kraanvogels. Tequila zoekt hem op en daar wordt de kiem gelegd voor hun band. Ten slotte staan ze zij aan zij tegenover de bad guys in een lange, uitzinnige finale vol excessief geweld, in een … ziekenhuis, terwijl Tequila een baby op zijn arm heeft. Daaruit mag u concluderen dat de titel Hard-Boiled de lading dekt. En vergeet u niet om een tandenstoker mee te nemen, want die heeft Tequila geregeld tussen zijn tanden geklemd.