Zinderende paranoiathriller tijdens carnaval: The Secret Agent
Beste film van 2025 is The Secret Agent, de vierde speelfilm van de Braziliaan Kleber Mendonça Filho, die de prijs voor beste regie won in Cannes. Hoofdrolspeler Wagner Moura werd verkozen tot beste acteur, terwijl de film ook de prijs van de internationale critici ontving. De film is mede geproduceerd door Lemming Film (Leontine Petit; Eric Glijnis) en ondersteund door het Nederlandse Filmfonds. Zijn vorige films waren sterk, met The Secret Agent overtreft Mendonça Filho zichzelf.
In het begin van zijn langspeelfilmdebuut Neighbouring Sounds (2012) wisselt Mendonça Filho historische zwart-wit foto’s van suikerplantages af met shots van spelende kinderen op een pleintje te midden van appartementencomplexen. Bij dat pleintje staan huishoudsters op de achtergrond toe te kijken. Op deze subtiele manier introduceert Mendonça Filho zijn thematische obsessie: de middenklasse, in dit geval in de stad Recife, steunt voor haar welvaart nog altijd op scheve, sociale verhoudingen.
Laat ik Neighbouring Sounds afzetten tegenover de geëngageerde cinema van de Schot Ken Loach. Hij kan vreselijk boos zijn om een sociale misstand – het lot van een werkloze bouwvakker, de beroerde werkomstandigheden van een pakketbezorger – en aan het eind van zijn didactische films is bij wijze van spreken elke bezoeker even verontwaardigd. Loach draagt de strekking van zijn films zo effectief uit dat iedereen de zaal verlaat met het idee dat er inderdaad sprake is van een groot onrecht. In vergelijking met Loach is de aard van het onrecht in de cinema van Mendonça Filho veel lastiger te peilen.
In Neighbouring Sounds waaieren verhaallijnen over meerdere personages uit. We hebben de sores van Beatriz die kampt met slechte nachtrust vanwege het geblaf van de hond van de buren. Ze drogeert het beest, ze pest hem met een hoog piepgeluid, en uiteindelijk bestookt ze de hond met vuurwerk. Hoe dat verder afloopt, ontsluit de film niet.
Nachtwakers met een agenda
De belangrijkste verhaallijn betreft echter de vermeende onveiligheid van de buurt. Er wordt vaak ingebroken in auto’s, en veel wijkbewoners verdenken de louche Dinho. Medewerkers van een beveiligingsbureau komen huis-aan-huis om te polsen of er interesse is in nachtbewaking. Beatriz is er niet van gediend en vindt het verdacht dat ze zich direct na de inbraken melden. Er vindt een buurtvergadering plaats en als men het bureau wil toestaan om de huidige slecht functionerende nachtwaker te vervangen, dan staat João er als enige op dat de oude man een fatsoenlijke ontslagvergoeding krijgt.
De nachtwakers kunnen na de goedkeuring van Francisco, de opa van Dinho en João, aan de slag. Francisco is een voormalige plantagehouder die de halve buurt bezit. Er hangt een onheilspellende sfeer over de film. De nachtwakers plegen een dreigend telefoontje naar Dinho, en die komt verhaal halen, ook al weet hij niet zeker of zij het zijn die hem gebeld hebben. Als kijker krijg je de indruk dat de nachtwakers een agenda hebben, maar welke? De hoofdman van de nachtwakers neemt de huishoudster van Francisco mee naar een pand waarvan hij de sleutel heeft; zij blijkt zijn vriendin en ze hebben seks in een slaapkamer. Heeft het consequenties dat zij niet gehoorzaam is aan haar oude baas? Loopt er niet nog iemand anders in het huis?
Die vragen blijven onbeantwoord, maar Francisco zit om extra bescherming verlegen als zijn vroegere voorman is gedood. De camera volgt de tocht van de hoofdnachtwaker met diens broer naar de woning nauwgezet, en met een schok komt Francisco tot de ontdekking dat ze zonen van een opponent van weleer zijn. De broers zijn hier voor een afrekening, zoveel wordt ons nu duidelijk, maar hoe het afloopt, moeten we zelf raden.
Aquarius
In opvolger Aquarius (2016) speelt Sonia Braga de kwieke zestiger Clara, die als muziekcriticus heeft gewerkt. Zij is nog de enige bewoner van een appartementencomplex bij het strand van Recife, omdat een voortvarende projectontwikkelaar de rest heeft uitgekocht. Ondanks de intimidaties blijft Clara koppig verzet plegen en kiest de weg van de meeste weerstand, tegen de adviezen van haar drie uithuizige kinderen in.
Zoals een hoofdpersonage dat gepiepeld wordt bij een Loach-film de volle sympathie van de kijker heeft, zo heeft Clara dat ook, maar toch is er een element in Aquarius dat schuurt. Clara kan haar strijd mede voeren, omdat ze haar huishoudster Ladjane, die al negentien jaar bij haar in dienst is, als een buffer gebruikt. Deze vergezelt Clara soms ook bij moeilijke gesprekken en geeft haar relevante informatie.
Als Ladjane een keer afwezig is, vraagt Clara of het bezoek zelf de wijnglazen wil afwassen. Juist omdat Clara een in alle opzichten progressief personage lijkt, wordt pijnlijk duidelijk hoe vanzelfsprekend de onderdanige positie van een huishoudhulp is. Als iemand die zelf tot de middenklasse behoort, meent Clara dat zij rebelleert tegen de ‘elite’ voor wie geldzucht boven fatsoen gaat. Maar tegelijk beseft zij niet hoezeer zij profijt trekt van de manier waarop de Braziliaanse maatschappij is geënt op klassenverschillen. Het meest kritische geluid volgt als ter sprake wordt gebracht dat een vroegere hulp ooit is weggestuurd vanwege een diefstal. Dan merkt Clara's zus op: ‘Vind je het gek dat ze iets stelen als wij ze zo uitbuiten.’
Bacurau
In zijn derde film Bacurau (2019), die hij samen met Juliano Dornelles regisseert, slaat Mendonça Filho een uitgesprokener toon aan. Bacurau wordt als een redelijk hechte, kleine gemeenschap gerepresenteerd ‘in een niet zo verre toekomst’, waarbij in het begin zo ongeveer de hele gemeenschap uitloopt voor de begrafenis van de 94-jarige Carmelita. Maar vervolgens gebeuren er vreemde zaken: de plaats is niet meer op internet te vinden, verbindingen zijn verbroken, er zijn loslopende paarden, de watertank heeft kogelgaten. Vervolgens vinden er allemaal moordpartijen in de directe omgeving plaats, voor de eerste doden zijn twee Braziliaanse motorrijders in kleurige kleding verantwoordelijk.
Dan zitten we in een losgeslagen gezelschap van ‘toeristen’, veelal uit Europa, met Michael (Udo Kier) als senior. We kunnen nauwelijks een peil trekken op dit bonte gezelschap. Ze zijn nogal schietgraag en knallen zonder pardon de twee motorrijders af. Als de 'toeristen' uit moorden gaan, leggen drones hun acties vast. Een koppel is zo extatisch na hun excessieve geweld dat ze direct seks hebben. De bewoners van Bacurau verzinnen een list, nu ze weet hebben van de barbaarse groep, en hoewel veel dorpelingen komen te overlijden, verzamelen ze, onder aanvoering van de queer Lunga, op een centrale plek alle hoofden van de buitenlandse strijders. Alleen Michael overleeft, en als de politicus Tony Jr. poolshoogte komt nemen, roept Michael hem toe: ‘Tony! Tony! Dinero!’ Als vermeende opdrachtgever wordt Tony op een beschamende manier, vastgebonden op een ezel, uit Bacurau verwijderd.
De cinema van Mendonça Filho valt te typeren als arthouse, vooral vanwege het lome ritme en de tijd die voor scènes wordt uitgetrokken. Als er muziek klinkt, is die doorgaans in de film zelf hoorbaar, niet als begeleiding op de soundtrack. De arthouse wordt versneden met horrorkenmerken voor een immer onbehaaglijke stemming. Maar Bacurau dat ook wel wordt gelezen als een allegorie op de landelijke politiek met indertijd Jair Bolsonaro als president, put ook nadrukkelijk uit het reservoir van sciencefiction en spaghettiwestern. Die kruising van een arthouse-beeldtaal met genreconventies sluit aan bij de lezing die Mendonça Filho geeft van zijn favoriete filmervaring: Paul Verhoevens RoboCop (1987) rekt sci-fi actieconventies zozeer op dat hij buiten de afgemeten oevers van Hollywood treedt.
Nachtmerries van filmposter Jaws
Als RoboCop zijn meest overdonderende filmervaring in een bioscoop was, dan is Jaws (Steven Spielberg, 1975) zijn favoriete film aller tijden. En laat die film een leidraad zijn in zijn meest verbluffende film tot nu toe, The Secret Agent dat naast muziek in de film, zoals 'If You Leave Me Now' van Chicago op de autoradio ook extradiëgetische muziek gebruikt, zoals het opzwepende 'Guerra E Pace, Pollo E Brace' van Ennio Morricone. Fernando, het zoontje van hoofdpersonage Marcelo tekent alleen nog maar haaien als hij de filmposter van Jaws in de krant heeft gezien. Spielbergs film draait opnieuw in februari 1977 in het noordelijke stadje Recife vanwege actuele ontwikkelingen.
Bij het opensnijden van een gedode haai heeft men een harig mensenbeen aangetroffen – niet vreemd, want ten tijde van de dictatuur worden er met grote regelmaat lijken in het water gegooid. De jongen heeft nachtmerries van de poster, maar zo zal hij later vertellen, die angstdromen waren voorbij toen hij met zijn opa, op te jonge leeftijd, de film had gezien. Hij had de film indertijd gezien in de ter ziele gegane Boa Vista Cinema op de plek waar hij nu als arts bij de bloedbank werkt.
In een van de intermezzo’s in de film wordt het harige been uit het mortuarium gestolen door de zonen van de corrupte ‘kolonel’ Euclides. Nadat ze het gedumpt hebben, komt het been stuiterend aan wal en maakt vele slachtoffers, vooral onder homoseksuele mannen in het park. Wij zien het gevisualiseerd worden, maar de vraag blijft hangen of het enkel een broodje aap verhaal in de kranten is.
The Secret Agent heeft talloze zijwegen, over het toevluchtsoord van Dona Sebastiana, waar ze ook ontheemden uit Angola opvangt; over een kantoor dat snel wordt omgekat tot een politiebureau, om een huishoudster te misleiden die door de onoplettendheid van haar rijke bazin haar kind heeft verloren; over een Duits-joodse kleermaker (cameo van Udo Kier) die gedwongen wordt zijn gruwelijke oorlogslittekens te laten zien; over politieagenten die ‘toeristen’ (brute gangsters) oppikken met in de kofferbak een ‘157’ en een ‘213’; over Marcelo die zoekt naar een identiteitskaart van zijn tot slaaf gemaakte moeder, ‘India’ om een bewijs te hebben dat ze bestaan heeft. Bovendien wemelt het van de filmverwijzingen omdat de schoonvader van Marcelo operateur is. Vanuit de projectiecabine zien we een scène uit The Omen (Richard Donner, 1976) – ‘ben niet religieus, maar hij was wel eng’ (zegt Elza). We zien ook steeds weer filmposters, onder meer van Lina Wertmüllers flamboyante meesterwerk Pasqualino Settebellezze (1975).
Spielerei versus loden ernst
Mendonça Filho’s film vlecht al die verhaallijnen zeldzaam voorbeeldig aan elkaar zonder zicht te verliezen op de rode draad. The Secret Agent is in de kern een niet-chronologisch vertelde paranoiathriller in zinderende kleuren verbeeld: zie alleen al de openingsscène bij het aftandse benzinestation waar half afgedekt een lijk ligt te rotten. Als dan eindelijk de politie komt, dan negeren ze het dode lichaam, maar onderzoeken de gele kever van Marcelo.
Als voormalig hoofd van onderzoek naar leerlooimachines en elektrische auto’s wordt Marcelo, die dan nog Armando heet, onder druk gezet, nadat hij in de zomer van 1974 beweert dat hij patenten gaat aanvragen op zijn vindingen. Beschuldigd van corruptie krijgen hij en zijn vrouw het aan de stok tijdens een etentje met de ‘respectloze’ Ghirotti en diens zoon, die het zuiden vertegenwoordigen dat neerkijkt op het noorden. Ghirotti zet een kleine drie jaar later huurmoordenaars in en als de groep van Elza hiervan op de hoogte raakt, proberen ze doelwit Marcelo te beschermen. Dit alles wordt doorsneden met scènes van twee jonge vrouwen die transcripties maken van de gebeurtenissen dankzij overgeleverde cassettebandjes.
The Secret Agent is een majestueuze mozaïek die in de bespreking van David Ehrlich in IndieWire werd vergeleken met Grand Budapest Hotel (Wes Anderson, 2014). Voor zover er een logische overeenkomst is, schuilt die in de manier waarop Anderson een messcherpe mise-en-scène paart aan een mengeling van keurige hoteletiketten en barbaarse taferelen. In het gloedvol ogende The Secret Agent wordt het uitbundige van carnaval gekoppeld aan vuil spel dat een dictatuur eigen is. Maar waar Grand Budapest Hotel, ondanks zijn wrange insteek, toch vooral spielerei wil zijn door zijn over-secure uitwerking, daar voel je in The Secret Agent in alles urgentie en een loden ernst.